1 makkabeeën 1 Alexander van Macedonie, de zoon van Filippus, was vanuit zijn land opgetrokken tegen Darius, de koning van de Perzen en de Meden. Hij versloeg hem en werd in zijn plaats koning hij heerste toen al over Griekenland. 2 Hij voerde vele oorlogen, veroverde vestingen en liet koningen doden. 3 Hij trok op tot aan de uiteinden van de aarde en nam van tal van volken oorlogsbuit mee de hele wereld had hij in zijn macht. Dit maakte hem overmoedig en hooghartig. 4 Hij bouwde een kolossale troepenmacht op, hij heerste over gebieden, volken en vorsten en maakte ze schatplichtig. 5 Maar toen werd hij ziek en hij wist dat hij zou sterven. 6 Hij riep zijn hoogste bevelhebbers, die van jongs af aan met hem waren opgegroeid, bij zich en verdeelde nog tijdens zijn leven zijn koninkrijk onder hen. 7 Twaalf jaar had Alexander geregeerd toen hij stierf. 8 Na zijn dood namen de bevelhebbers het bestuur over, ieder in hun eigen gebied, 9 waarna zij zichzelf tot koning kroonden. Hun bewind en dat van hun nakomelingen bracht nog lange tijd veel onheil op aarde. 10 Een van hun afstammelingen was de schurk Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus, die gijzelaar geweest was in Rome. Hij werd koning in het jaar 137 van de Griekse overheersing.


1 makkabeeën 2 1 In die tijd deed Mattatias, de zoon van Johannes, de zoon van Simon, van zich spreken. Hij was een priester uit de familie van Jojarib uit Jeruzalem en woonde in Modeïn. 2 Hij had vijf zonen: Johannes bijgenaamd Gaddi, 3 Simon bijgenaamd Tassi, 4 Judas bijgenaamd Makkabeüs, 5 Eleazar bijgenaamd Avaran en Jonatan bijgenaamd Affus. 6 Toen hij zag welke godslasterlijke taferelen zich in Judea en Jeruzalem afspeelden, 7 zei hij: ‘Ach, ben ik geboren om te zien hoe mijn volk wordt vernietigd, hoe de heilige stad wordt verwoest? Moet ik toezien hoe de stad aan de vijand wordt uitgeleverd, hoe het heiligdom in handen valt van vreemden? 8 De tempel werd als een man zonder eer, 9 het kostbare tempel gerei werd als buit weggevoerd. Jeruzalems kinderen werden gedood in de straten, haar jonge mannen vielen door het zwaard van de vijand. 10 Welk volk bezit niet een deel van haar land, heeft geen buit van haar bemachtigd? 11 Beroofd is zij van al haar sieraden, zij is een slavin, haar vrijheid is haar ontnomen. 12 Onze heilige tempel is verwoest, zijn pracht en praal zijn verdwenen, vreemde volken hebben hem ontwijd. 13 Waarom nog zouden wij leven?’ 14 Mattatias en zijn zonen scheurden hun kleren, trokken rouw gewaden aan en gaven zich over aan diepe rouw. 15 Op zekere dag kwamen er afgezanten van de koning naar Modeïn. Ze moesten het volk dwingen zijn godsdienst af te zweren en erop toezien dat ook daar geofferd werd. 16 Veel Israelieten gingen naar hen toe, en ook Mattatias en zijn zonen maakten hun opwachting. 17 De afgezanten van de koning richtten zich tot Mattatias: ‘U bent een leider en bezit macht en aanzien in deze stad, uw zonen en uw verwanten staan achter u. 18 Laat u de eerste zijn die het bevel van de koning opvolgt. Alle volken zijn u al voorgegaan, ook de inwoners van Judea en de mensen die nog in Jeruzalem wonen. Samen met uw zonen zult u tot de gunstelingen van de koning behoren, en u zult worden overladen met zilver, goud en vele andere geschenken.’ 19 Maar Mattatias antwoordde met luide stem: ‘Zelfs al zijn alle volken in het rijk van de koning hem gehoorzaam, zelfs al wordt iedereen de godsdienst van zijn voorouders ontrouw door de bevelen van de koning op te volgen, 20 dan nog zullen ik, mijn zonen en mijn verwanten trouw blijven aan het verbond van onze voorouders. 21 God verhoede dat we de wet en de voorschriften verloochenen. 22 Wij zullen het gebod van de koning niet gehoorzamen, noch zullen we ook maar een duimbreed afwijken van onze godsdienst.’ 23 Hij was nog niet uitgesproken, of er trad voor het oog van de menigte een Jood naar voren die overeenkomstig het bevel van de koning een offer wilde brengen op het altaar in Modeïn. 24 Mattatias zag het en werd woedend. Hij begon te trillen van verontwaardiging en liet, geruggensteund door de wet, zijn woede de vrije loop; hij rende op de man af en stak hem op het altaar neer. 25 Meteen doodde hij ook de afgezant van de koning die het volk tot offeren moest dwingen en haalde het altaar neer. 26 Zo toonde hij zijn toewijding aan de wet, zoals ook Pinechas eens had gedaan met Zimri, de zoon van Salu. 27 Daarna trok Mattatias door de stad en riep met luide stem: ‘Laat ieder die de wet is toegedaan en pal staat voor het verbond zich bij mij aansluiten.’ 28 Hij vluchtte met zijn zonen de bergen in, hun bezittingen lieten zij achter in de stad. 29 In die tijd trokken velen die rechtvaardig wilden leven en wilden vasthouden aan de wet naar de woestijn. Daar vestigden ze zich 30 samen met hun kinderen, hun vrouwen en hun vee, want de toestand was ondraaglijk geworden. 31 Algauw vernamen de koninklijke afgezanten en de troepen die in de Davidsburcht in Jeruzalem waren gelegerd dat er Israelieten waren die het gebod van de koning hadden genegeerd en naar afgelegen schuilplaatsen waren gevlucht. 32 Met een grote legermacht gingen ze hen achterna en toen ze hen hadden opgespoord, sloegen ze in de buurt hun kamp op. Ze maakten zich op om hen op sabbat aan te vallen 33 en riepen: ‘Dit is jullie laatste kans! Als jullie in leven willen blijven, kom dan naar buiten en gehoorzaam het gebod van de koning.’ 34 Maar het antwoord van de Israelieten luidde: ‘We komen niet naar buiten en zullen het gebod van de koning niet gehoorzamen; wij ontwijden de sabbat niet.’ 35 Onmiddellijk ging het leger tot de aanval over. 36 De Israelieten verweerden zich niet, ze gooiden geen stenen en sloten hun schuilplaatsen niet af. 37 Ze zeiden: ‘We gaan liever in onschuld de dood in; de hemel en de aarde zijn onze getuigen dat jullie ons ten onrechte ombrengen.’ 38 En zo werden zij op sabbat aangevallen en afgeslacht, mannen, vrouwen en kinderen, ongeveer duizend in getal, samen met hun vee. 39 Toen Mattatias en de zijnen dit te weten kwamen, gaven zij zich over aan diepe rouw. 40 Ze zeiden tegen elkaar: ‘Als we allemaal zo handelen als onze broeders, als we ons leven en onze voorschriften niet verdedigen tegen vreemde volken, zullen we spoedig van de aarde worden weggevaagd.’ 41 En zij besloten die dag aldus: ‘Als iemand ons op sabbat aanvalt, vechten wij terug, zodat we niet allemaal omkomen zoals onze broeders die in hun schuilplaatsen gedood werden.’ 42 In die tijd voegde zich een groep chasideeen bij hen, strijdvaardige Israelieten die bereid waren zich in te zetten voor de wet. 43 Ook mensen die de onderdrukking waren ontvlucht, sloten zich bij hen aan om hun gelederen te versterken. 44 Gezamenlijk brachten ze een leger op de been, en in woede en razernij doodden ze afvalligen en wetsverachters. Wie kon ontkomen vluchtte naar heidens gebied om zich in veiligheid te brengen. 45 Mattatias en zijn vrienden trokken rond en haalden altaren neer. 46 Als ze onbesneden jongens in het gebied van Israel vonden, dan lieten ze die onder dwang besnijden. 47 Ze achtervolgden hun hoogmoedige vijanden, en hun verzet was succesvol. 48 Ze redden de wet uit de greep van de heidenen en hun vorsten, en gunden de afvalligen geen macht. 49 Toen Mattatias voelde dat hij niet lang meer te leven had, zei hij tegen zijn zonen: ‘Nu breekt een tijd aan van hoogmoed en straf, van verschrikkingen en hevige toorn. 50 Mijn zonen, toon jullie toewijding aan de wet en wees bereid je leven te geven voor het verbond van onze voorouders. 51 Denk aan wat onze voorouders generaties lang hebben gedaan, dan zullen jullie eeuwige naam en faam verwerven. 52 Bleek Abraham niet trouw te zijn toen hij op de proef werd gesteld, en is hem dat niet als een rechtvaardige daad toegerekend? 53 Jozef hield zich aan het gebod, zelfs toen hij in het nauw werd gebracht, en hij werd koning van Egypte. 54 Onze voorvader Pinechas ontving voor zijn grote toewijding de plechtige belofte van het eeuwige priesterschap. 55 Jozua vervulde zijn opdracht en werd rechter over Israel. 56 Kaleb getuigde voor het volk van zijn vertrouwen en kreeg daarom een deel van het land in zijn bezit. 57 David verkreeg dankzij zijn vroomheid het eeuwige koningschap. 58 Elia werd in de hemel opgenomen omdat hij zich met volle overgave voor de wet had ingezet. 59 Chananja, Azarja en Misael vertrouwden op God en werden zo uit het vuur gered. 60 Ael werd wegens zijn onschuld uit de muil van leeuwen bevrijd. 61 Hieruit blijkt dat ieder die zijn hoop op God vestigt wordt gesterkt, elke generatie opnieuw. 62 Wees niet bang voor de woorden van de zondaar, want zijn roem zal vergaan tot mest en wormen. 63 Vandaag wordt hij geeerd, maar morgen is hij verdwenen; hij zal weer tot stof worden, zijn plannen zullen op niets uitlopen. 64 Mijn zonen, wees moedig en sta sterk voor de wet, want door de wet zullen jullie roem verwerven. 65 Simon hier, jullie broer, is een goed raadsman, dat weet ik. Luister steeds naar hem, hij zal een vader voor jullie zijn. 66 Judas Makkabeüs is van jongs af aan de sterkste geweest. Hij zal jullie legeraanvoerder zijn en de oorlog tegen de vreemde volken leiden. 67 Verzamel om jullie heen al diegenen die de wet navolgen en wreek jullie volk. 68 Reken af met de heidenen en houd vast aan wat de wet voorschrijft.’ 69 Daarna zegende hij hen en werd hij met zijn voorouders verenigd. 70 Hij stierf in het jaar 146 en werd bijgezet in het graf van zijn voorouders in Modeïn. Heel Israel rouwde om zijn dood.


1 makkabeeën 3 1 Judas, bijgenaamd Makkabeüs, volgde zijn vader op. 2 Hij had de steun van al zijn broers en van iedereen die zich bij zijn vader had aangesloten. Vol vuur streden zij voor Israel. 3 Hij verbreidde de roem van zijn volk. Als een reus trok hij ten strijde, gehuld in een harnas, omgord met wapentuig, hij verdedigde zijn kamp met het zwaard. 4 Hij vocht als een jonge leeuw, brullend wierp hij zich op zijn prooi. 5 Hij maakte jacht op wettelozen, onderdrukkers van zijn volk dreef hij het vuur in. 6 Wetsverachters deed hij beven van angst, hij ontstelde de aanstichters van het kwaad. Zo leidde hij zijn volk naar de bevrijding. 7 Hij bracht vele koningen tot razernij, maar Jakob verblijdde hij met zijn daden. Zijn nagedachtenis zij eeuwig geprezen. 8 Hij trok door Judea’s steden, vernietigde de afvalligen. Zo wendde hij de toorn af van Israel. 9 Zijn roem bereikte de uiteinden van de aarde, wie verloren leken bracht hij weer samen. Eerste overwinningen van Judas 10 Apollonius bracht uit de omringende volken, maar hoofdzakelijk uit Samaria, een groot leger op de been om tegen Israel ten strijde te trekken. 11 Toen Judas dit hoorde, trok hij hem tegemoet. Hij versloeg hem en doodde hem. Veel van Apollonius’ soldaten sneuvelden, de rest sloeg op de vlucht. 12 Judas’ mannen verzamelden de buit en hijzelf nam het zwaard van Apollonius, dat hij voortaan in de strijd gebruikte. 13 Toen de Syrische legeraanvoerder Seron vernam dat Judas een groep wetsgetrouwe en strijdvaardige mannen om zich heen verzameld had, 14 zei hij: ‘Ik wil naam maken en in het hele koninkrijk beroemd worden. Daarom zal ik ten strijde trekken tegen Judas en zijn aanhangers, die het bevel van de koning naast zich neerleggen.’ 15 Met een enorm leger afvalligen trok hij tegen de Israelieten op om wraak te nemen. 16 Zodra Seron de berghelling van Bet-Choron had bereikt, ging Judas hem met een handjevol mannen tegemoet. 17 Toen ze de legermacht zagen die tegen hen was uitgerukt, zeiden ze tegen Judas: ‘Wat kunnen wij met zo weinigen uitrichten tegen deze overmacht? We zijn moe en we hebben ook nog niets gegeten vandaag.’ 18 Judas antwoordde hun: ‘Maar een kleine groep kan gemakkelijk een grote groep overmeesteren. Voor de hemel maakt het geen verschil of de redding door veel of door weinig mensen wordt gebracht. 19 In oorlogen hangt de overwinning niet van aantallen soldaten af, maar van de kracht van de hemel. 20 Onze vijand is vol overmoed en vol haat tegen de wet opgetrokken om ons en onze vrouwen en kinderen uit te roeien en onze bezittingen te roven, 21 maar wij strijden voor ons leven en onze tradities. 22 De hemel zal hen voor onze ogen verpletteren; jullie hebben niets van hen te vrezen.’ 23 Meteen na deze woorden deed hij een verrassingsaanval, en Seron en zijn legermacht werden volkomen verpletterd. 24 Ze achtervolgden hem van de berghelling van Bet-Choron tot aan de vlakte. Bijna achthonderd van Serons mannen sneuvelden, de rest vluchtte naar het land van de Filistijnen. 25 Van toen af aan was men beducht voor Judas en zijn broers; de volken om hen heen leefden nu in angst. 26 Ook de koning hoorde van Judas, en verhalen over zijn verzet deden bij elk volk de ronde. 27 Het nieuws van deze gebeurtenissen wekte de woede van Antiochus op. Hij gaf bevel alle strijdkrachten van zijn rijk samen te trekken tot één reusachtig leger. 28 Vervolgens opende hij zijn schatkist, betaalde de strijdkrachten een jaar soldij uit en droeg hun op zich paraat te houden. 29 Maar algauw merkte hij dat het geld in de schatkist opraakte; vanwege de rampzalige opstand die hij had uitgelokt met de afschaffing van de eeuwenoude tradities waren de belastinginkomsten van het land geslonken. 30 Hij vreesde dat hij, zoals al meer dan eens was voorgekomen, niet genoeg zou hebben voor de dagelijkse kosten, laat staan voor de geschenken die hij, meer nog dan zijn voorgangers, tot dan toe met gulle hand had uitgedeeld. 31 Ten einde raad besloot hij naar Perzie te gaan en daar belasting te innen om de schatkist weer te vullen. 32 Lysias, een geeerd lid van de koninklijke familie, belastte hij tot zijn terugkeer met het bestuur over het rijk tussen de Eufraat en de Egyptische grens; 33 ook de opvoeding van zijn zoon Antiochus vertrouwde hij aan hem toe. 34 Hij gaf hem het bevel over de helft van de strijdkrachten en over de olifanten, en droeg hem op al zijn plannen uit te voeren: hij moest troepen op de inwoners van Judea en Jeruzalem afsturen 35 om de legermacht van Israel uit te schakelen en het verzet van de mensen die nog in Jeruzalem woonden te breken. Hij moest iedere herinnering aan hen uitwissen, 36 hun gebied met vreemdelingen bevolken en het land onder hen verdelen. 37 Met de andere helft van de troepen vertrok de koning in het jaar 147 uit Antiochie, de hoofdstad van zijn rijk, stak de Eufraat over en trok door de oostelijke provincies. 38 Ptolemeüs, de zoon van Dorymenes, en Nikanor en Gorgias, dappere mannen uit de kring van vertrouwelingen van de koning, werden door Lysias uitgekozen 39 en met veertigduizend soldaten en zevenduizend ruiters naar Judea gestuurd om het land te verwoesten, zoals de koning had bevolen. 40 Met heel dat leger rukten ze uit en ze sloegen in de vlakte bij Emmaüs hun kamp op. 41 De kooplieden van die streek hoorden ervan en kwamen met grote hoeveelheden zilver en goud en met voetboeien naar het legerkamp om de Israelieten als slaven op te kopen. Het Syrische leger werd versterkt door troepen uit Idumea en het land van de Filistijnen. Judas overwint Gorgias 42 Judas en zijn broers beseften dat de situatie nijpend werd nu in hun gebied vijandelijke troepen gelegerd waren, en toen zij hoorden dat de koning bevel had gegeven hun volk volledig uit te roeien, 43 zeiden ze tegen elkaar: ‘We moeten ons volk uit zijn ellende bevrijden, we moeten strijden voor ons volk en het heiligdom.’ 44 Ze verzamelden zich om zich op te maken voor de strijd, en ze baden en smeekten om ontferming en mededogen. 45 Jeruzalem was verlaten als een woestijn, geen bewoner ging zijn poorten nog in of uit. De tempel was vertrapt, vreemdelingen verschansten zich in de citadel, vreemde volken bewoonden de stad. Jakob kende geen vreugde meer, fluit en citer zwegen. 46 Ze kwamen bijeen in Mispa, in de buurt van Jeruzalem, omdat Mispa vroeger een plaats van gebed voor Israel was geweest. 47 Ze vastten die dag, trokken een boetekleed aan, wierpen stof over hun hoofd en scheurden hun kleren. 48 Zoals andere volken voor een aanwijzing hun godenbeelden raadplegen, zo openden zij de wetsrol. 49 Ze hadden de priesterlijke gewaden, de eerste opbrengst van de nieuwe oogst en de tienden meegenomen en riepen de nazireeers bijeen die hun gelofte volbracht hadden. 50 Ze riepen luid naar de hemel: ‘Waar moeten wij deze mensen en deze dingen in veiligheid brengen? 51 Uw tempel is onder de voet gelopen en ontwijd, uw priesters zijn vernederd en in rouw gedompeld. 52 En nu hebben vreemde volken zich aaneengesloten om ons te vernietigen. U weet wat ze met ons van plan zijn. 53 Hoe kunnen wij ons tegen hen teweerstellen als u ons niet helpt?’ 54 Daarna bliezen ze op de trompetten en schreeuwden luid. 55 Vervolgens stelde Judas leiders aan over het volk, bevelhebbers over duizend, honderd, vijftig en tien man. 56 En zoals de wet voorschrijft liet hij iedereen naar huis gaan die een huis aan het bouwen was, zou gaan trouwen, een wijngaard had geplant of die het aan moed ontbrak. 57 Het leger vertrok en sloeg zijn kamp op ten zuiden van Emmaüs. 58 Judas zei: ‘Bereid je voor en vat moed! Zorg ervoor dat je morgenochtend gereed bent om de strijd aan te gaan met de vijand die zich verzameld heeft en ons en onze tempel wil vernietigen. 59 We kunnen beter sterven in de strijd dan te moeten aanzien welk onheil ons volk en het heiligdom treft. 60 Zoals de hemel het wil, zo zal het gebeuren.’


1 makkabeeën 4 1 Die nacht verliet Gorgias met vijfduizend soldaten en duizend voortreffelijke ruiters zijn legerkamp 2 om het kamp van de Joden bij verrassing aan te vallen; mannen uit de citadel waren zijn gids. 3 Maar Judas kwam het te weten en trok er met zijn strijdkrachten op uit om het leger van de koning in Emmaüs aan te vallen 4 terwijl Gorgias’ troepen nog verspreid waren buiten het legerkamp. 5 Toen Gorgias ’s nachts bij het legerkamp van Judas kwam, trof hij er niemand aan. In de veronderstelling dat ze voor hem waren gevlucht, ging hij naar hen op zoek in de bergen. 6 Tegen de ochtend verscheen Judas met drieduizend man in de vlakte. Terwijl ze het zelf zonder goede harnassen en zwaarden moesten stellen, 7 zagen ze dat het legerkamp van de vijand zwaar versterkt was, met daaromheen een kordon van ruiters, geoefend in oorlogsvoering. 8 Judas zei tegen zijn mannen: ‘Laat je niet ontmoedigen door hun overmacht en wees niet bang als zij oprukken. 9 Bedenk hoe onze voorouders zijn gered bij de Rode Zee, toen ze door de farao en zijn leger werden achtervolgd. 10 Laten we de hemel aanroepen en vragen of hij ons goedgezind wil zijn en het verbond met onze voorouders gestand wil doen door dit leger vandaag nog voor onze ogen te verpletteren. 11 Dan zullen alle volken weten dat er iemand is die Israel bevrijdt en redt.’ 12 De vreemdelingen zagen de Joden op zich afkomen 13 en verlieten hun legerkamp om de aanval te openen. Aan de kant van Judas werd op de trompet geblazen, 14 en de strijd begon. De vijand werd verslagen: wie kon vluchtte de vlakte in, 15 de anderen vielen tot de laatste man. Judas’ soldaten achtervolgden hen tot aan Gezer en de vlakten van Idumea, Azotus en Jamnia; er sneuvelden bijna drieduizend mannen. 16 Nadat Judas en zijn leger van de achtervolging waren teruggekeerd, 17 zei hij tegen het volk: ‘Stel het plunderen nog even uit, want er staat ons nog een veldslag te wachten. 18 Gorgias en zijn mannen zijn niet ver van ons gelegerd, in de bergen. Eerst moeten jullie je tegenover de vijand opstellen en met hem de strijd aangaan, daarna zijn jullie vrij om de buit binnen te halen.’ 19 Judas was nog niet uitgesproken, of er verscheen een legereenheid vanuit de bergen. 20 Er was rook zichtbaar die de eenheid deed vermoeden wat er was gebeurd. Ze zagen dat de andere eenheden waren gevlucht, en uit de opstijgende rook konden ze opmaken dat hun kamp in brand gestoken was. 21 Deze ontdekking bracht hen in verwarring, temeer omdat ze begrepen dat Judas’ leger zich in de vlakte had opgesteld. 22 De hele eenheid sloeg op de vlucht naar het land van de Filistijnen. 23 Judas ging terug, plunderde hun kamp en maakte veel buit: goud en zilver, zeeblauwe en purperrode stoffen, en andere kostbaarheden. 24 Zingend aanvaardden ze de terugtocht en loofden de hemel: ‘Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid.’ 25 En zo werd Israel die dag op grootse wijze gered. Judas verslaat Lysias en reinigt de tempel 26 De vreemdelingen die zich hadden weten te redden, meldden zich bij Lysias om hem te vertellen wat er was gebeurd. 27 Hun nieuws bracht hem in verwarring en ontmoedigde hem, want met Israel was niet gebeurd wat hij had gewild, en de opdracht die de koning hem had gegeven was niet uitgevoerd. 28 Het jaar daarop (dat is 148) bracht hij zestigduizend voortreffelijke krijgslieden en vijfduizend ruiters samen voor de strijd. 29 Ze kwamen tot in Idumea en sloegen hun kamp op in Bet-Sur, waar Judas hun tegemoet kwam met tienduizend man. 30 Judas zag hoe sterk hun leger was en bad: ‘Geprezen bent u, redder van Israel, die de vijand hebt verpletterd door uw dienaar David en die het leger van de Filistijnen in handen hebt gegeven van Jonatan, de zoon van Saul, en zijn wapendrager. 31 Laat ook dit leger in handen vallen van uw volk Israel en laat het met voetvolk, ruiters en al verslagen worden. 32 Maak hen bang, maak een einde aan hun overmoed, bezorg hun een nederlaag die hun nog lang zal heugen. 33 Haal hen neer met het zwaard van degenen die u liefhebben, dan zal iedereen die uw naam kent u met lofliederen loven.’ 34 De strijd begon en van het leger van Lysias sneuvelden bijna vijfduizend krijgslieden in gevechten van man tot man. 35 Toen Lysias zag dat de kansen van zijn leger waren gekeerd en dat Judas’ mannen moed hadden gevat en bereid waren zich dood te vechten, trok hij zich terug naar Antiochie. Daar rekruteerde hij huurlingen om met een veel groter leger naar Judea terug te keren. 36 Judas en zijn broers zeiden: ‘Onze vijanden zijn verslagen. Laten we het heiligdom reinigen en het opnieuw inwijden.’ 37 Het hele leger verzamelde zich en ging op weg naar de Sion. 38 Daar zagen ze hoe verlaten het heiligdom er bij lag. Het altaar was ontwijd, de poorten waren verbrand en de voorhoven waren met onkruid overwoekerd, als in een bos of in de bergen. De vertrekken van de priesters waren vervallen. 39 Judas en zijn mannen scheurden hun kleren en begonnen luid te jammeren. Ze gooiden stof over hun hoofd 40 en wierpen zich op de grond. Ze bliezen op de trompetten en riepen de hemel aan. 41 Vervolgens wees Judas een groep mannen aan die het garnizoen in de citadel op een afstand moest houden totdat het heiligdom gereinigd was. 42 Hij koos wetsgetrouwe priesters uit van onbesproken gedrag, 43 die het heiligdom reinigden en de stenen die het altaar ontwijd hadden afvoerden naar een onreine plaats. 44 Ze overlegden wat ze met het ontwijde brandofferaltaar moesten doen 45 en besloten – terecht – het neer te halen, zodat het hun niet tot schande zou strekken nu het door vreemde volken verontreinigd was. Ze haalden het altaar dus neer 46 en legden de stenen op een geschikte plaats op de tempelberg tot er een profeet zou komen die wist wat ermee moest gebeuren. 47 Daarna namen ze ongehouwen stenen, zoals de wet voorschrijft, en bouwden een nieuw altaar, precies als het vorige. 48 Ze brachten het heiligdom en de ruimten in de tempel in de oude staat terug en heiligden de voorhoven. 49 Ze maakten nieuw tempelgerei en zetten de lampenstandaard, het reukofferaltaar en de tafel van de toonbroden in de tempel. 50 Ze brandden reukwerk op het altaar en staken de lampen aan, die voortaan weer in de tempel brandden. 51 Ze legden toonbroden op de tafel en hingen de voorhangsels op. Daarmee was het werk dat ze ondernomen hadden voltooid. 52 Op de vijfentwintigste van de negende maand, te weten de maand kislew, van het jaar 148 53 stonden ze in alle vroegte op en brachten volgens voorschrift een offer op het nieuwe brandofferaltaar. 54 Op dezelfde dag en op hetzelfde uur dat vreemde volken het altaar hadden ontwijd, werd het nieuwe altaar ingewijd, terwijl er liederen en muziek van citers, harpen en cimbalen ten gehore werden gebracht. 55 Het hele volk knielde neer en boog diep voorover om de hemel, die hen geholpen had, te loven. 56 Acht dagen lang vierden ze de inwijding van het altaar en brachten ze vol vreugde brandoffers, vredeoffers en dankoffers. 57 Ze versierden de voorkant van de tempel met gouden kransen en met schildjes. Ze vernieuwden de poorten en de priestervertrekken en voorzagen ze van deuren. 58 Er heerste grote vreugde onder het volk omdat de smaad die ze van de vreemde volken ondervonden hadden, was afgewend. 59 Judas bepaalde samen met zijn broers en de hele volksvergadering dat het feest van de altaar inwijding jaarlijks acht dagen met blijdschap en vreugde gevierd zou worden, te beginnen op 25 kislew. 60 In die tijd bouwden ze ook een hoge muur om de Sion, met versterkte torens, zodat andere volken het heiligdom niet nog eens binnen zouden kunnen vallen. 61 Judas legerde er een garnizoen om de berg te bewaken en hij versterkte Bet-Sur, zodat het volk een vesting had aan de grens met Idumea.


1 makkabeeën 5 1 Toen de omringende volken hoorden dat het altaar herbouwd was en het heiligdom in de oude staat was teruggebracht, werden ze woedend. 2 Ze besloten om de nakomelingen van Jakob die in hun midden woonden uit te roeien, en begonnen dood en verderf te zaaien onder het volk. 3 Judas trok op tegen de nakomelingen van Esau in Idumea, omdat ze een blokkade tegen de Israelieten hadden opgeworpen, en viel Akrabattene aan. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, dwong hen op de knieen en plunderde de stad. 4 Hij rekende af met de Beonieten, die met hun valkuilen en versperringen de Israelieten voortdurend in hinderlagen lokten. 5 Hij sloot hen in hun torens op, waarna hij een beleg rond hen sloeg, een vloek over hen uitriep en de torens met iedereen erin in brand stak. 6 Daarna trok hij nog op tegen de Ammonieten. Hij vond een sterke en grote strijdmacht tegenover zich, aangevoerd door Timoteüs. 7 Na vele gevechten wist hij hun macht uiteindelijk te breken en kon hij hen verslaan. 8 Nadat hij Jazer met de omliggende orpen veroverd had, keerde hij terug naar Judea. 9 De volken in Gilead bundelden hun krachten om de Israelieten die in hun gebied woonden te vernietigen. Die namen de wijk naar de vesting van Datema 10 en stuurden van daaruit de volgende brief naar Judas en zijn broers: ‘De volken om ons heen hebben hun krachten gebundeld om ons te vernietigen. 11 Ze staan op het punt om de vesting waar wij onze toevlucht hebben gezocht te veroveren; Timoteüs is de aanvoerder van hun troepen. 12 Kom daarom meteen en red ons, want velen van ons zijn al gesneuveld. 13 In het gebied van Tobia zijn al onze broeders, ongeveer duizend man, gedood, hun vrouwen en kinderen zijn gevangengenomen en hun bezittingen buitgemaakt.’ 14 Judas en zijn mannen hadden de brief nog niet gelezen, of er kwamen boden uit Galilea. Zij hadden hun kleren gescheurd en berichtten hun 15 dat Ptolemaïs, Tyrus, Sidon en heel het heidense Galilea hun krachten hadden gebundeld om de Joden volledig uit te roeien. 16 Toen ze dit bericht hoorden, riepen ze een grote vergadering bijeen om te beraadslagen wat ze voor hun verdrukte en belaagde broeders konden doen. 17 Judas zei tegen zijn broer Simon: ‘Neem zo veel mannen mee als je nodig hebt en bevrijd je broeders in Galilea. Ik zal met onze broer Jonatan naar Gilead gaan.’ 18 Josefus, de zoon van Zacharias, en Azarias liet hij achter als leiders van het volk, samen met de rest van het leger, dat Judea moest beschermen. 19 Hij droeg hun op: ‘Het volk staat onder jullie bevel. Maar begin geen oorlog met de vijand voordat wij zijn teruggekeerd.’ 20 Simon kreeg drieduizend man toegewezen voor zijn tocht naar Galilea, en Judas kreeg achtduizend man voor de veldtocht naar Gilead. 21 Simon trok dus op naar Galilea. Na vele gevechten wist hij de macht van de vreemde volken te breken. 22 Hij achtervolgde ze tot aan de poort van Ptolemaïs. Aan de kant van de vijand sneuvelden ongeveer drieduizend mannen; hun wapenrusting maakte hij buit. 23 Hij bevrijdde de Joden uit Galilea en Arbatta met hun vrouwen en kinderen en bracht hen met al hun bezittingen onder luid gejuich naar Judea. 24 Intussen waren Judas Makkabeüs en zijn broer Jonatan de Jordaan overgestoken en drie dagen door de woestijn getrokken. 25 Daar stuitten ze op een groep Nabateeers die hun vriendelijk tegemoet traden en vertelden in welke omstandigheden de Joden in Gilead verkeerden: 26 ‘Velen van hen zijn ingesloten in de grote vestingsteden Bosorra, Bozor, Alema, Chasfo, Maked en Karnaïn, 27 en ook in andere steden in Gilead zitten Joden ingesloten. Er worden voorbereidingen getroffen om deze vestingen morgen aan te vallen en in te nemen en de Joden allemaal diezelfde dag nog te vernietigen.’ 28 Hierop keerde Judas met zijn leger door de woestijn terug naar Bosra. Hij veroverde de stad, doodde alle mannen, plunderde de huizen en stak de stad in brand. 29 ’s Nachts vertrok hij van daar en reisde naar de vesting van Datema. 30 Vroeg in de ochtend zagen ze een enorme menigte die de aanval opende en met ladders en stormtorens de vesting probeerde te veroveren. 31 Judas begreep dat de strijd begonnen was. Uit de stad steeg luid geschreeuw en geroep ten hemel en er klonk trompetgeschal. 32 Hij riep zijn mannen toe: ‘Strijd vandaag voor ons volk!’ 33 En in drie afdelingen vielen zij, onder trompetgeschal en het uitroepen van gebeden, de vijand in de rug aan. 34 Zodra de strijders van Timoteüs in de gaten kregen dat ze met de Makkabeeer van doen hadden, sloegen ze op de vlucht. Judas bracht hun een zware nederlaag toe; er sneuvelden die dag bijna achtduizend man. 35 Daarna boog Judas af naar Maäfa. Hij deed een aanval op de stad, nam haar in en doodde alle mannelijke inwoners. Hij plunderde de stad en stak haar in brand. 36 Van daar trok hij verder en veroverde Chasfo, Maked, Bozor en de overige steden van Gilead. 37 Na deze gebeurtenissen bracht Timoteüs een ander leger op de been en sloeg hij zijn kamp op tegenover Rafon, aan de overzijde van de wadi. 38 Judas zond verkenners uit om het kamp te bespieden. Zij meldden hem het volgende: ‘Hij beschikt over een reusachtige legermacht, want alle volken uit de omtrek hebben zich bij hem aangesloten, 39 en hij heeft ook nog Arabische troepen gehuurd. Zij hebben hun kamp opgeslagen aan de overkant en staan klaar om u aan te vallen.’ Judas trok op, de strijd tegemoet, 40 en naderde de wadi, die vol water stond. Timoteüs zei tegen zijn legeraanvoerders: ‘Wanneer hij als eerste oversteekt kunnen we niets tegen hem beginnen, dan zal hij zeker sterker zijn dan wij. 41 Maar als hij laf is en aan de overkant blijft, dan steken wij over en zijn wij sterker dan hij.’ 42 Bij de wadi aangekomen stelde Judas soldaat-schrijvers aan de oever op en gaf hun dit bevel: ‘Zorg ervoor dat niemand in het kamp achterblijft en dat iedereen zich in de strijd werpt.’ 43 Zelf stak hij als eerste over, en alle manschappen volgden hem. De heidenen werden vernietigend verslagen, ze gooiden hun wapens weg en vluchtten naar het heiligdom van Karnaïn. 44 Maar de Joden veroverden de stad en staken het heiligdom met iedereen erin in brand. Zo werd Karnaïn verslagen, en er was niemand die Judas nog weerstand kon bieden. 45 Judas bracht alle Israelieten bijeen die in Gilead woonden, van jong tot oud, met hun vrouwen, kinderen en hun bezittingen, een enorme mensenmenigte, om op weg te gaan naar Judea. 46 Ze trokken tot aan Efron, een grote, zwaar versterkte stad die op hun weg lag. Het was niet mogelijk links of rechts om de stad heen te trekken, ze moesten er dwars doorheen. 47 De inwoners van de stad sloten de weg voor hen af en blokkeerden de poorten met stenen. 48 Judas zond boden naar hen toe met een vreedzame boodschap: ‘Laat ons door jullie gebied trekken om naar ons land te gaan. Niemand zal jullie kwaad doen, we willen alleen te voet door de stad trekken.’ Maar ze openden de poorten niet. 49 Toen liet Judas in het legerkamp omroepen dat iedereen op de plaats waar hij was zijn stelling moest innemen. 50 De mannen stelden zich op en bestookten de stad de hele dag en de hele nacht, totdat ze haar in handen hadden. 51 Judas doodde alle mannen, maakte de stad met de grond gelijk en trok met de buit over de lijken heen door de stad. 52 Hij stak de Jordaan over naar de grote vlakte bij Bet-San. 53 Hij zorgde ervoor dat de achterblijvers niet verder achterop raakten en sprak het volk gedurende de hele weg moed in, totdat ze Judea bereikten. 54 Daar bestegen ze vol blijdschap en vreugde de Sion en brachten er brandoffers, omdat ze niemand hadden verloren en iedereen veilig was teruggekeerd. 55 In de tijd dat Judas en Jonatan in Gilead waren en hun broer Simon in Galilea, in de buurt van Ptolemaïs, 56 hoorden de legeraanvoerders Josefus, de zoon van Zacharias, en Azarias van hun heldendaden en de veldslagen die ze hadden geleverd. 57 Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten wij ook proberen beroemd te worden en optrekken tegen de volken om ons heen.’ 58 En ze gaven hun leger bevel op te trekken naar Jamnia. 59 Maar Gorgias en zijn mannen kwamen hun vanuit de stad tegemoet om strijd te leveren. 60 Josefus en Azarias werden op de vlucht gejaagd en tot aan de grens van Judea achtervolgd. Er vielen die dag bijna tweeduizend Israelieten. 61 Deze zware tegenslag trof het volk, doordat de legerleiders niet naar Judas en zijn broers geluisterd hadden maar gemeend hadden heldendaden te moeten verrichten. 62 Bovendien behoorden ze niet tot het geslacht mannen aan wie het gegeven was Israel te redden. 63 De heldhaftige Judas en zijn broers werden geeerd in heel Israel en door alle volken bij wie hun naam bekend werd. 64 Van alle kanten kwam men hun eer bewijzen. 65 Judas en zijn broers trokken opnieuw naar het zuiden om slag te leveren met de nakomelingen van Esau. Hij veroverde Hebron en de omliggende dorpen, haalde de vestingmuren neer en stak de torens rond de stad in brand. 66 Hij brak op om naar het land van de Filistijnen te gaan en trok door Maresa. 67 Die dag sneuvelden er priesters die heldendaden wilden verrichten en ondoordacht ten strijde waren getrokken. 68 Vervolgens boog Judas af naar Azotus in het land van de Filistijnen. Hij haalde hun altaren neer, stak hun godenbeelden in brand, plunderde steden en keerde terug naar Judea.


1 makkabeeën 6 1 Op zijn tocht door de oostelijke provincies hoorde koning Antiochus dat er in Perzie een stad lag, Elymaïs, die beroemd was om haar schatten van zilver en goud. 2 De tempel van die stad was uitzonderlijk rijk; er hingen vergulde helmen, schilden en wapens, daar achtergelaten door Filippus’ zoon koning Alexander, de Macedonier, de eerste koning van de Grieken. 3 Antiochus wilde de stad innemen en plunderen maar slaagde daar niet in, want de inwoners hadden lucht gekregen van zijn voornemen 4 en verzetten zich met hand en tand. Hij moest de wijk nemen en aanvaardde diep teleurgesteld de terugtocht naar Babylon. 5 Terwijl hij nog in Perzie was, kwam iemand hem vertellen dat de legers die naar Judea waren gegaan op de vlucht waren gejaagd: 6 dat zelfs Lysias, die met een groot leger was opgetrokken, was teruggedreven, en dat de vijand zich had kunnen versterken met de wapens, het oorlogstuig en de grote buit die ze van de verslagen legers hadden geroofd. 7 Ook werd hem verteld dat de vijand de gruwel op het altaar had neergehaald die hij in Jeruzalem had opgericht, dat de muren om het heiligdom weer waren opgebouwd en dat een van zijn steden, Bet-Sur, was ommuurd. 8 Toen de koning dit hoorde, was hij zo verbijsterd en geschokt dat hij zich op zijn bed wierp; hij was ziek van ellende omdat niets was verlopen zoals hij had gewild. 9 Dagenlang hield hij het bed, omdat hij steeds weer werd overvallen door diepe wanhoop, en uiteindelijk voelde hij dat hij zou sterven. 10 Hij riep al zijn vertrouwelingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik kan niet meer slapen, want ik word verteerd door verdriet. 11 Ik blijf me maar afvragen waarom ik in deze poel van ellende terecht ben gekomen. Tijdens mijn bewind ben ik immers mild geweest en was ik geliefd. 12 Maar nu herinner ik me de wandaden die ik in Jeruzalem heb begaan: ik heb al het goud en zilver uit de stad geroofd en zonder reden opdracht gegeven de inwoners van Judea uit te roeien. 13 Ik besef dat mijn wandaden mij in deze ellende hebben gestort, zodat ik nu in een vreemd land diep ongelukkig moet bezwijken.’ 14 Hij ontbood Filippus, een van zijn vertrouwelingen, en stelde hem aan over zijn hele rijk. 15 Hij gaf hem zijn koninklijke hoofdband, mantel en ring, en droeg hem op zijn zoon Antiochus op te voeden en voor te bereiden op het koningschap. 16 Koning Antiochus stierf in Perzie, in het jaar 149 . 17 Toen Lysias vernam dat de koning was gestorven, wees hij diens zoon, de minderjarige Antiochus, die hij zelf had opgevoed, als troonopvolger aan. Hij noemde hem Eupator. Judas belegert de citadel 18 De bezetters van de citadel hadden het gebied rondom het heiligdom nog steeds in hun macht. Ze bezorgden de Israelieten niets dan ellende en werden een vast steunpunt voor de heidenen. 19 Judas besloot hen uit de weg te ruimen en riep het hele volk voor de belegering bijeen. 20 Ze verzamelden zich, en in het jaar 150 belegerden ze de citadel met behulp van geschutstellingen en stormtorens. 21 Enkele mannen wisten, samen met een paar afvallige Israelieten, uit de belegerde citadel te ontsnappen. 22 Ze gingen naar de koning en zeiden: ‘Wanneer geeft u ons eindelijk genoegdoening en wreekt u onze medestanders? 23 Wij hebben uw vader bereidwillig gediend, geleefd volgens zijn voorschriften en zijn bevelen opgevolgd. 24 Daarom hebben onze volksgenoten de citadel nu juist belegerd en zich van ons afgekeerd. Wie ze maar konden grijpen, hebben ze gedood, en ze hebben onze bezittingen geplunderd. 25 En niet alleen ons hebben ze aangevallen, ook alle naburige gebieden. 26 En vandaag zijn ze uitgerukt om de citadel in Jeruzalem in te nemen; ze hebben het heiligdom en Bet-Sur versterkt. 27 Als u niet snel tegen hen in het geweer komt, zult u niet kunnen voorkomen dat ze nog ergere dingen doen.’ 28 Toen de koning dat hoorde, werd hij woedend. Hij liet al zijn vertrouwelingen aantreden, de aanvoerders van het voetvolk en de ruiterij, 29 en uit andere koninkrijken en van de eilanden kwamen nog huurlegers. 30 In totaal bestond zijn leger uit honderdduizend man voetvolk, twintigduizend ruiters en tweeendertig krijgsolifanten. 31 Ze trokken door Idumea en sloegen hun kamp op bij Bet-Sur. De strijd duurde dagenlang. Ze maakten stormtorens, maar de belegerden braken uit, staken ze in brand en leverden manmoedig strijd. 32 Judas trok weg van de citadel en sloeg zijn kamp op bij Bet-Zacharia, tegenover het legerkamp van de koning. 33 De volgende ochtend vroeg brak de koning op en verplaatste zijn leger snel over de weg naar Bet-Zacharia, waar de strijdkrachten onder trompetgeschal in slagorde werden opgesteld. 34 Ze hielden de olifanten sap van druiven en moerbeien voor om hun strijdlust op te wekken. 35 De olifanten werden over de gelederen verdeeld en bij elke olifant werden duizend mannen opgesteld, gepantserd met malienkolders en bronzen helmen. Ook werden bij elk dier vijfhonderd geoefende ruiters opgesteld. 36 Waar de olifant ook stond of ging, de ruiters weken niet van zijn zijde. 37 Op elke olifant was met riemen een houten geschutstoren vastgegord, van waaruit vier mannen strijd leverden. De dieren werden gemend door Indiers. 38 De overige ruiters stelde de koning aan de beide flanken van het leger op om verwarring te stichten bij de tegenstander en de eigen gelederen te verdedigen. 39 Toen de zon op de gouden en bronzen schilden scheen, schitterden en flikkerden de bergen als brandende fakkels. 40 Een deel van het koninklijke leger verspreidde zich hoog in de bergen, een ander deel wat lager. Vastberaden en in goede orde trokken ze op. 41 Er ging een siddering door iedereen die het gedreun van de massaal oprukkende soldaten en het gekletter van hun wapens hoorde, zo groot en sterk was dit leger. 42 Judas ging met zijn leger tot de aanval over, en zeshonderd soldaten van de koning sneuvelden. 43 Eleazar Avaran zag dat een van de olifanten gepantserd was met het koninklijke harnas en dat het dier ook groter was dan de andere. Omdat hij vermoedde dat daar de koning wel op zou zitten, 44 offerde hij zijn leven om zijn volk te redden en voor zichzelf eeuwige roem te verwerven. 45 Moedig rende hij op de olifant af die zich midden in de slagorde bevond, links en rechts dodelijke slagen uitdelend, zodat de vijand aan beide zijden voor hem achteruit moest wijken. 46 Hij dook onder de olifant, stak hem van onderaf en doodde het dier, dat boven op hem ter aarde stortte en hem vermorzelde. 47 Maar toen de Joden zagen hoe sterk het leger van de koning was en hoe snel het kon manoeuvreren, trokken ze zich terug. 48 De koning ging met een deel van zijn leger op weg naar Jeruzalem om de Joden opnieuw aan te vallen. Hij trok naar Judea en sloeg bij de Sion een kamp op. 49 Hij sloot vrede met de inwoners van Bet-Sur, die wegtrokken uit de stad omdat zij wegens het sabbatsjaar onvoldoende levensmiddelen hadden om een bezetting te doorstaan. 50 De koning nam Bet-Sur in en liet een legereenheid achter om de stad te bewaken. 51 Daarna belegerde hij dagenlang het heiligdom met stormtorens en ander oorlogstuig dat hij daar had opgesteld: vuurwerpers, stenenwerpers, katapulten en slingers. 52 De Joden maakten zelf ook oorlogstuig om zich te weren, en vele dagen lang leverden ze slag. 53 Er was geen voedsel meer in de opslagplaatsen, want het was het zevende jaar, en wat er aan voorraad restte was opgegeten door de Joden die uit de handen van de omringende volken waren gered en naar Judea waren gebracht. 54 Er waren in het heiligdom uiteindelijk nog maar weinig mannen, want de honger had de meesten naar hun eigen woonplaats gedreven. 55 Toen hoorde Lysias dat Filippus, die koning Antiochus vlak voor zijn dood had aangesteld om zijn zoon Antiochus op het koningschap voor te bereiden, 56 uit Perzie en Medie was teruggekeerd. Hij had de strijdkrachten die met de koning waren opgetrokken mee teruggenomen en probeerde nu de macht te grijpen. 57 Onmiddellijk gaf Lysias het bevel tot de aftocht. Hij zei tegen de koning, de legeraanvoerders en de manschappen: ‘We worden met de dag zwakker, de voedselvoorraad raakt op en de plaats die we proberen in te nemen is versterkt. Onze plicht in het koninkrijk roept. 58 Laten we daarom om een bestand vragen en vrede sluiten met deze mensen en hun hele volk. 59 Laten we hun toestaan om zoals vroeger volgens hun voorschriften te leven, want het was onze afwijzing van hun voorschriften die hun woede heeft opgewekt en hen tot dit verzet heeft aangezet.’ 60 Zijn voorstel vond bijval bij de koning en de legeraanvoerders, waarop hij boden naar de Joden zond om vrede met hen te sluiten. De Joden aanvaardden hun aanbod, 61 en de koning en de legeraanvoerders bevestigden de vrede met een eed. Daarop trokken de belegeraars van de citadel weg. 62 Toen de koning de Sion betrad en zag hoe zwaar die versterkt was, verbrak hij de eed die hij gezworen had en gaf hij bevel de verdedigingsmuur neer te halen. 63 Daarna trok hij haastig weg en keerde terug naar Antiochie, waar Filippus de macht had gegrepen. Hij leverde slag met hem en nam de stad met geweld in.


1 makkabeeën 7 1 In het jaar 151 vertrok Demetrius, de zoon van Seleukus, uit Rome. Met een paar mannen landde hij in een stad aan de kust, waar hij zichzelf tot koning uitriep. 2 Terwijl hij op weg was naar het koninklijk paleis van zijn voorouders, nam het leger Antiochus en Lysias gevangen om hen aan hem uit te leveren. 3 Maar toen hij hiervan op de hoogte werd gesteld, zei hij: ‘Ik wil ze nooit meer zien!’ 4 Daarop bracht het leger hen ter dood en kon Demetrius de troon van zijn rijk bestijgen. 5 Alle wetsverachters en afvalligen uit Israel kwamen naar hem toe. Hun leider was Alkimus, die hogepriester wilde worden. 6 Zij brachten bij de koning de volgende beschuldigingen in tegen de andere Joden: ‘Judas en zijn broers hebben al uw vertrouwelingen gedood en ons uit ons land verdreven. 7 Laat iemand in wie u vertrouwen hebt de schade opnemen die zij hebben toegebracht aan ons en uw grondgebied. Laat hij Judas en iedereen die hem geholpen heeft straffen.’ 8 De koning koos Bakchides, een van zijn vertrouwelingen, die een gebied ten westen van de Eufraat bestuurde. Hij was een man van aanzien, en trouw aan de koning. 9 Samen met de afvallige Alkimus, die als hogepriester was aangesteld, werd hij eropuit gestuurd om de Israelieten te straffen. 10 Met een groot leger trokken ze op naar Judea. Bakchides stuurde boden naar Judas en zijn broers om hun met listige woorden vrede te beloven. 11 Maar die gingen er niet op in omdat ze hadden gezien dat ze met een groot leger waren gekomen. 12 Wel ging een groep schriftgeleerden naar Alkimus en Bakchides om de vredesvoorwaarden te bespreken. 13 De chasideeen waren de eersten onder de Israelieten die hun om vrede verzochten. 14 Ze dachten: Met het leger is een priester uit het geslacht van Aäron meegekomen; hij zal ons zeker geen onrecht aandoen. 15 Inderdaad stond Alkimus hen vriendelijk te woord, en hij bezwoer hun: ‘Wij zijn niet van plan u en uw vrienden kwaad te berokkenen.’ 16 Ze geloofden hem, maar hij liet zestig van hen gevangennemen en nog dezelfde dag ter dood brengen, precies zoals geschreven staat: 17 ‘Ze hebben de lijken van uw heiligen laten liggen en hun bloed overal rond Jeruzalem vergoten, en er was niemand om hen te begraven.’ 18 Heel het volk werd door angst bevangen, en de mensen zeiden: ‘Het zijn leugenaars die niet weten wat rechtvaardigheid is; ze hebben hun belofte geschonden, ondanks de eed die ze gezworen hebben.’ 19 Bakchides trok weg uit Jeruzalem en sloeg zijn kamp op in Bet-Zait. Van daaruit liet hij enkele mannen uit het volk gevangennemen, en zelfs een flink aantal verraders die zich vrijwillig bij hem hadden aangesloten. Hij liet hen bij de grote waterput afslachten. 20 Hij droeg het bestuur van het land over aan Alkimus en liet ter ondersteuning een legereenheid bij hem achter. Daarna keerde Bakchides terug naar de koning. 21 Alkimus probeerde uit alle macht zijn hogepriesterschap erkend te krijgen. 22 Alle onrustzaaiers onder het volk sloten zich bij hem aan; ze grepen de macht in Judea en brachten Israel een zware slag toe. 23 Judas zag dat het kwaad dat Alkimus en zijn aanhangers de Israelieten berokkenden nog veel erger was dan wat de omringende volken hun aandeden. 24 Hij trok door alle streken van Judea om wraak te nemen op de overlopers en hij belette hun terug te keren naar hun land. 25 Algauw zag Alkimus in dat Judas en zijn aanhangers zo sterk waren geworden dat hij geen tegenstand kon bieden, en daarom keerde hij terug naar de koning en bracht zware beschuldigingen tegen hen in. 26 Toen zond de koning een van zijn beruchtste bevelhebbers, Nikanor, die Israel haatte en verachtte, met als opdracht het volk uit te roeien. 27 Nikanor trok met een groot leger naar Jeruzalem en stuurde boden naar Judas en zijn broers om hun met listige woorden vrede te beloven: 28 ‘Ik wil geen oorlog met u; ik kom met maar weinig mannen, want ik wil u in vrede ontmoeten.’ 29 Hij ging zelf ook naar Judas, en zij begroetten elkaar vriendelijk, maar de vijand stond al klaar om Judas gevangen te nemen. 30 Toen Judas erachter kwam dat Nikanor met boos opzet bij hem was gekomen, werd hij bang voor hem en weigerde hem nogmaals te ontmoeten. 31 Nikanor begreep dat zijn plan was doorzien en hij trok ten strijde tegen Judas ter hoogte van Kafarsalama. 32 Aan de kant van Nikanor sneuvelden ongeveer vijfhonderd soldaten, de overigen vluchtten naar de Davidsburcht. 33 Na deze gebeurtenissen trok Nikanor op naar de Sion, waar enkele priesters en volksoudsten hem vanuit het heiligdom tegemoet gingen om hem in vrede te begroeten. Ze lieten hem zien dat er voor de koning een brandoffer werd gebracht, 34 maar hij bespotte hen en lachte hen uit, spuugde op hen en sprak hoogmoedige taal. 35 Hij bezwoer hun woedend: ‘Als Judas en zijn leger dit keer niet in mijn handen vallen, dan laat ik deze tempel in brand steken zodra ik veilig ben teruggekeerd.’ Hevig verontwaardigd ging hij weg. 36 De priesters liepen naar binnen, gingen voor het altaar van de tempel staan en baden onder tranen: 37 ‘U hebt uw naam verbonden aan dit huis, zodat het voor uw volk een huis van gebed en voorbede zou zijn. 38 Neem wraak op deze man en op zijn leger. Laat hen vallen door het zwaard. Denk aan hun lasterlijke woorden en laat hen niet langer leven.’ 39 Nikanor trok weg uit Jeruzalem en sloeg zijn kamp op in Bet-Choron, waar het Syrische leger zich bij hem aansloot. 40 Judas sloeg met drieduizend man zijn kamp op in Adasa, en hij bad: 41 ‘Ooit hebben de boden van een koning u belasterd en hebt u een engel gestuurd om honderdvijfentachtigduizend van zijn mannen neer te slaan. 42 Doe vandaag hetzelfde met dit leger en verpletter het voor onze ogen, zodat degenen die overblijven weten dat Nikanor uw heiligdom belasterd heeft. Geef hem zijn verdiende straf.’ 43 Op 13 adar bonden de twee legers de strijd aan. Het leger van Nikanor werd vernietigend verslagen; hijzelf was de eerste die de dood vond. 44 Toen zijn soldaten zagen dat Nikanor gesneuveld was, gooiden ze hun wapens weg en sloegen op de vlucht. 45 De Joden achtervolgden hen een dagreis ver, van Adasa tot in Gezer, blazend op trompetten. 46 Uit alle omliggende dorpen van Judea schoten mannen te hulp om de voortvluchtigen de pas af te snijden. Ze wisten die terug te dringen tot bij hun achtervolgers, zodat niemand aan hun zwaard ontkwam. 47 Ze roofden hun uitrusting en hun proviand, hakten Nikanors hoofd af en zijn rechterarm, die hij nog zo hoogmoedig had opgeheven. Die namen ze mee en hingen ze net buiten Jeruzalem op. 48 Het volk was opgetogen en maakte van die dag een grote feestdag. 49 Ze besloten het feest ieder jaar op 13 adar te vieren. 50 Daarna had Judea korte tijd rust.


1 makkabeeën 8 Vredesverbond met Rome in het jaar 151 (62bc) 1 Judas had over de Romeinen horen zeggen dat ze oppermachtig waren, dat ze iedereen die toenadering zocht welwillend bejegenden en met allen die dat wilden een vriendschapsverdrag sloten. 2 Dat ze oppermachtig waren bleek uit wat hem verteld werd over hun oorlogen en heldendaden tegen de Galliers, die ze overmeesterd hadden en schatplichtig gemaakt. 3 Er werd verteld wat ze in Spanje gedaan hadden om zich meester te maken van de zilver- en goudmijnen aldaar; 4 hoe ze het hele gebied strategisch en met beleid hadden weten te veroveren – een gebied dat zeer ver van Rome verwijderd was – en ook dat ze de koningen die vanaf de uiteinden van de aarde tegen hen optrokken een vernietigende nederlaag hadden toegebracht en de overlevenden een jaarlijkse belasting hadden opgelegd. 5 Filippus en Perseus, de Macedonische vorsten, en alle anderen die tegen hen in opstand waren gekomen, hadden ze in een oorlog vernietigend verslagen en aan zich onderworpen. 6 Zelfs Antiochus de Grote van Asia, die toch met honderdtwintig olifanten, paarden en wagens en een zeer groot leger tegen hen was opgetrokken, was door hen verslagen. 7 Ze hadden hem levend gevangengenomen en hem en zijn troonopvolgers een hoge belasting opgelegd; bovendien had hij gijzelaars moeten leveren en een deel van zijn gebied moeten afstaan. 8 Ze namen hem India, Medie en Lydie af, de mooiste landstreken die hij bezat, en schonken die aan koning Eumenes. 9 Toen een plan van de Grieken om hen aan te vallen en uit te roeien 10 aan de Romeinen bekend werd, hadden zij slechts één bevelhebber op hen afgestuurd. Ze hadden oorlog gevoerd met de Grieken, velen van hen verwond, hun vrouwen en kinderen gevangengenomen, hun huizen geplunderd, hun land in bezit genomen, hun vestingen neergehaald en hen aan zich onderworpen, tot op de dag van vandaag. 11 Ook alle andere koninkrijken en eilanden die zich op enig moment tegen hen hadden verzet, waren door hen verslagen en onderworpen. 12 Maar met hun bondgenoten en allen die zich op hen verlieten, onderhielden ze vriendschappelijke betrekkingen. Ze onderwierpen de koninkrijken in de buurt en in verre streken, en hun naam boezemde iedereen ontzag in. 13 Wie ze wilden helpen om koning te worden, werd ook koning; de koningen die ze kwijt wilden, zetten ze af. Zo stegen ze in macht en aanzien. 14 Desondanks had geen van hen de koninklijke hoofdband omgedaan of het purper omgehangen ter meerdere eer en glorie van zichzelf. 15 In plaats daarvan hadden ze voor zichzelf een senaat ingesteld, die dagelijks met driehonderdtwintig man vergaderde en steeds het welzijn van het volk voor ogen hield. 16 Ieder jaar vertrouwden ze één man het leiderschap toe, die over hen en het gehele land regeerde, en iedereen gehoorzaamde hem zonder nijd of afgunst. 17 Judas koos Eupolemus, de zoon van Johannes uit de familie van Hakkos, en Jason, de zoon van Eleazar, en stuurde hen naar Rome om met de Romeinen een vriendschapsverdrag te sluiten en een bondgenootschap aan te gaan. 18 De Romeinen zouden hen dan van het juk van de Grieken bevrijden, omdat ze wel zouden inzien dat Israel feitelijk onderworpen was aan het Griekse rijk. 19 Ze reisden naar Rome, een bijzonder lange reis, en gingen de senaat binnen met dit verzoek: 20 ‘Judas Makkabeüs, zijn broers en het Joodse volk hebben ons gestuurd om met u een vredesverbond te sluiten, zodat wij in het vervolg tot uw bondgenoten en vrienden gerekend worden.’ 21 Hun verzoek viel in goede aarde. 22 Dit is het afschrift van het verdrag dat ze op bronzen platen lieten graveren en terugstuurden naar Jeruzalem als bewijs van het vredesverbond: 23 ‘Mogen de Romeinen en het Joodse volk tot in eeuwigheid veel voorspoed kennen, te land en ter zee; mogen zij gespaard blijven voor oorlog en vijandschap. 24 Wanneer aan Rome of een van zijn bondgenoten in enig gebied de oorlog wordt verklaard, 25 zal het Joodse volk met volledige inzet hun bondgenoot zijn, voor zover de omstandigheden zulks toestaan. 26 Zij zullen de vijand geen graan, wapens, zilver of schepen geven of verschaffen, overeenkomstig de beslissing van Rome. Zij zullen hun verplichtingen nakomen zonder tegenprestatie. 27 Omgekeerd zullen de Romeinen, wanneer aan het Joodse volk de oorlog wordt verklaard, met volledige inzet hun bondgenoot zijn, voor zover de omstandigheden zulks toestaan. 28 Ook zij zullen de vijand geen graan, wapens, zilver of schepen verschaffen, overeenkomstig de beslissing van Rome, en hun verplichtingen eerlijk nakomen. 29 Op deze voorwaarden hebben de Romeinen en het Joodse volk een verbond gesloten. 30 Als een van beide partijen in de toekomst iets wil toevoegen of weglaten, dan zal deze toevoeging of weglating alleen geldig zijn met goedvinden van de wederpartij. 31 Over het onrecht dat koning Demetrius de Joden heeft aangedaan, hebben wij hem het volgende geschreven: “Waarom hebt u de Joden, onze vrienden en bondgenoten, zo’n zwaar juk opgelegd? 32 Als zij nog meer aanklachten tegen u inbrengen, zullen wij hun recht doen en u te land en ter zee bestrijden.”’


1 makkabeeën 9 De dood van Judas 1 Toen Demetrius hoorde dat Nikanor en zijn leger verslagen waren, stuurde hij Bakchides en Alkimus een tweede maal naar Judea, nu met zijn keurtroepen. 2 Ze namen de weg naar Galilea en sloegen hun kamp op bij Mesalot in Arbela. Ze veroverden het en doodden een groot aantal mensen. 3 In de eerste maand van het jaar het jaar 152 sloegen ze hun kamp op bij Jeruzalem. 4 Van daaruit trokken ze met twintigduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters op naar Berea. 5 Judas had met drieduizend geoefende soldaten zijn kamp opgeslagen in Elasa. 6 Toen de Joden zagen hoe groot de legermacht van hun tegenstander was, sloeg de schrik hun om het hart. Velen deserteerden, zodat er uiteindelijk maar achthonderd mannen over waren. 7 Judas merkte dat zijn leger uiteenviel en twijfelde aan een goede afloop van de strijd. Hij was ten einde raad, want hij wist niet hoe hij zijn soldaten weer samen moest brengen. 8 Wanhopig zei hij tegen degenen die nog over waren: ‘Laten we toch maar tegen de vijand ten strijde trekken, er is altijd nog een kans dat we ze verslaan.’ 39 Maar zij gingen tegen hem in en zeiden: ‘Dat lukt ons nooit. We kunnen onszelf beter in veiligheid brengen en later samen met onze broeders de strijd met hen aangaan. Nu zijn we met te weinig.’ 10 Judas antwoordde: ‘Dat nooit! We slaan zeker niet voor hen op de vlucht. Als onze tijd gekomen is, moeten we moedig voor onze broeders sterven, in plaats van onszelf een slechte naam te bezorgen.’ 11 Toen verlieten de vijandelijke troepen hun kamp en stelden zich tegenover het Joodse leger op. Hun ruiterij was in tweeen gesplitst, de slingeraars en boogschutters liepen voor het leger uit, de allerbeste soldaten stonden in de frontlinie. 12 Bakchides bevond zich in de rechterflank. Het voetvolk trok aan twee zijden gedekt en onder trompetgeschal op, en ook de soldaten van Judas bliezen op trompetten. 13 De aarde dreunde onder het geweld van de beide legers. De strijd duurde van de vroege ochtend tot de avond. 14 Toen Judas zag dat Bakchides zich met de beste troepen in de rechterflank bevond, ging hij daar met zijn dapperste mannen op af. 15 Hij deed een verpletterende aanval op de rechterflank en achtervolgde de manschappen tot aan de hellingen van het gebergte van Azotus. 16 Toen de soldaten van de linkerflank zagen dat de rechterflank gebroken was, draaiden ze zich om en gingen Judas en zijn mannen achterna. 17 Het werd een bittere strijd en aan beide zijden vielen vele gewonden. 18 Judas sneuvelde en de anderen vluchtten. 19 Jonatan en Simon namen hun broer Judas mee en begroeven hem in het graf van hun voorouders in Modeïn. 29 Ze treurden om hem en heel Israel gaf zich over aan diepe rouw. De mensen weeklaagden dagenlang: 21 ‘Ach, dat de held heeft kunnen sneuvelen, de redder van Israel.’ 22 Het merendeel van wat Judas heeft gezegd en gedaan is niet opgeschreven: zijn veldslagen, de manmoedige daden die hij heeft verricht en alles wat verder van zijn grootheid getuigt – het is te veel om op te noemen. Jonatan neemt de leiding 23 Na de dood van Judas doken in alle gebieden van Israel weer lieden op die zich niets aan de wet gelegen lieten liggen, alle onruststokers kwamen weer tevoorschijn. 24 Toen er ook nog een zware hongersnood uitbrak, sloot de bevolking zich bij hen aan. 25 Bakchides stelde enkele van die afvallige mannen aan als regeerders van het land. 26 Zij spoorden aanhangers van Judas op en brachten hen voor Bakchides, die hen strafte en bespotte. 27 Israel werd onderdrukt zoals sinds de laatste profeet niet meer was gebeurd. 28 Daarom verzamelden de aanhangers van Judas zich, en ze zeiden tegen Jonatan: 29 ‘Sinds de dood van uw broer Judas is er niemand meer die optrekt tegen onze vijanden, tegen Bakchides of tegen de verraders van ons volk. 30 Daarom hebben wij vandaag u gekozen om in zijn plaats onze leider en aanvoerder in de strijd te zijn.’ 31 En zo nam Jonatan de leiding op zich als opvolger van zijn broer Judas. Jonatans eerste overwinning op Bakchides 32 Toen Bakchides dit te weten kwam, wilde hij Jonatan doden. 33 Jonatan en zijn broer Simon en al hun aanhangers hoorden ervan en vluchtten naar de woestijn van Tekoa. Ze sloegen hun kamp op bij de waterput van Asfar. 34 Dit kwam Bakchides weer ter ore en op een sabbat stak hij met heel zijn leger de Jordaan over. 35 Jonatan stuurde zijn broer Johannes aan het hoofd van een grote groep mensen naar bevriende Nabateeers met het verzoek of ze hun omvangrijke bagage bij hen in bewaring konden geven. 36 Maar de Jambrieten rukten vanuit Medeba tegen hen op, overmeesterden Johannes en alles wat hij met zich meevoerde en maakten zich uit de voeten. 37 Enige tijd daarna hoorden Jonatan en zijn broer Simon dat de Jambrieten een grote bruiloft gingen vieren. De bruid, een dochter van een van de meest vooraanstaande mannen van Kanaän, zou met een groot gevolg in Nadabat worden opgehaald. 38 Met het bloed van hun broer Johannes in gedachten trokken zij op en verborgen zich in een bergspleet. 39 Van daaruit zagen ze een rumoerige stoet naderen met een grote vracht bagage. Het waren de bruidegom, zijn vrienden en zijn broers, die onder tromgeroffel en muziek en in volle wapenrusting hun kant op kwamen. 40 Jonatan en Simon kwamen uit hun hinderlaag tevoorschijn en richtten een bloedbad aan; er vielen veel gewonden en de overigen vluchtten de bergen in. Al hun bezittingen namen ze in beslag. 41 Zo veranderde het feest in rouwbetoon en de bruidsmuziek in een rouwklacht. 42 Het bloed van hun broer was gewroken. Daarna keerden ze terug naar het moerasland van de Jordaan. 43 Toen Bakchides hiervan hoorde, trok hij op een sabbat met een groot leger op tot aan de oevers van de Jordaan. 44 Jonatan zei tegen zijn mannen: ‘Vooruit! We moeten vechten voor ons leven, want zo slecht als vandaag heeft het er nog nooit voor ons uitgezien: 45 we worden van voren en van achteren aangevallen, het water van de Jordaan stroomt aan deze kant en aan die kant liggen moeras en struikgewas, we kunnen nergens heen! 46 Smeek de hemel dat jullie uit de handen van de vijand gered mogen worden!’ 47 De strijd begon. Jonatan hief zijn arm om Bakchides neer te slaan, maar deze week achteruit. 48 Daarop sprongen Jonatan en zijn aanhangers het water in en zwommen naar de overkant. Maar de vijand ging hen niet achterna en stak de Jordaan niet over. 49 Die dag vielen er aan de kant van Bakchides ongeveer duizend man. 50 Bakchides keerde terug naar Jeruzalem en begon aan de bouw van versterkingen in Judea: de burcht in Jericho en de steden Emmaüs, Bet-Choron, Betel, Timna, Faraton en Tefon werden voorzien van hoge muren en vergrendelbare poorten. 51 Hij legerde er garnizoenen om Israel in bedwang te houden. 52 Hij versterkte Bet-Sur, Gezer en de citadel, stationeerde er strijdkrachten en sloeg er voedselvoorraden op. 53 Ten slotte liet hij de zonen van de leiders van het land gijzelen en opsluiten in de citadel in Jeruzalem. 54 In de tweede maand van het jaar 153 gaf Alkimus bevel de muur van de voorhof van het heiligdom neer te halen om zo het werk van de profeten teniet te doen. Men was nog maar net met de afbraak begonnen, 55 toen Alkimus werd getroffen door een ziekte en zijn plannen moest laten varen. Zijn spraakvermogen was aangetast, hij was verlamd en hij kon dus geen woord meer uitbrengen, laat staan zijn huis beheren. 56 Niet lang daarna stierf hij in hevige pijn. 57 Toen Bakchides vernam dat Alkimus was gestorven, keerde hij naar de koning terug.Daarna had Judea twee jaar rust. Bakchides voorgoed verdreven 58 Alle wettelozen kwamen bijeen om te beraadslagen. Ze zeiden: ‘Jonatan en zijn aanhangers leven rustig en onbezorgd. Wanneer we Bakchides nu laten komen, kan hij hen allemaal in één nacht gevangennemen.’ 59 Dit voorstel legden ze aan hem voor, 60 waarna Bakchides er met een groot leger op uit trok en in het geheim brieven naar al zijn bondgenoten in Judea stuurde, met de opdracht Jonatan en zijn aanhangers gevangen te nemen. Maar ze slaagden er niet in, want het plan lekte uit 61 en ongeveer vijftig van de aanstichters werden gedood. 62 Daarna trokken Jonatan en Simon met hun mannen naar Bet-Bassi in de woestijn. Ze bouwden wat verwoest was weer op en versterkten de stad. 63 Toen Bakchides hiervan hoorde, trok hij al zijn troepen samen en riep hij ook zijn aanhangers in Judea op. 64 Hij rukte uit en sloeg zijn kamp op bij Bet-Bassi, waarna ze de stad dagenlang vanuit stormtorens aanvielen. 65 Jonatan liet zijn broer Simon in de stad achter en trok zelf met een aantal mannen de omgeving in. 66 Hij viel Odomera en zijn verwanten aan en deed een aanval op de Fasirieten in hun tentenkamp; langzaamaan kregen ze de overhand en namen hun strijdkrachten in aantal toe. 67 Simon en zijn mannen deden een uitval vanuit de stad en staken de stormtorens in brand. 68 Bakchides werd daarbij vernietigend verslagen, wat een zware tegenslag voor hem betekende, want met het mislukken van deze veldtocht was zijn hele onderneming op niets uitgelopen. 69 Hij was razend op de wettelozen die hem hadden overgehaald te komen en liet een groot aantal van hen ter dood brengen. Daarna besloot hij om weer naar zijn eigen land terug te keren. 70 Toen Jonatan hiervan hoorde, stuurde hij onderhandelaars naar Bakchides om vrede met hem te sluiten en de krijgsgevangenen uitgeleverd te krijgen. 71 Bakchides aanvaardde het vredesaanbod en hield zijn woord. Hij zwoer dat hij hem de rest van zijn leven niet meer tot last zou zijn. 72 Ook droeg hij de mensen die hij eerder in Judea krijgsgevangen had gemaakt aan Jonatan over. Daarna keerde hij naar zijn land terug en zette nooit meer een voet over de Judese grens. 73 Daarmee kwam een einde aan de oorlog in Judea. Jonatan ging in Michmas wonen. Hij werd rechter over het volk en verdreef de afvalligen uit Israel.


1 makkabeeën 10 Rivaliteit tussen Demetrius I en Alexander Epifanes 1 In het jaar 160 zette Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, koers naar Ptolemaïs en nam de stad in. De inwoners onthaalden hem en hij werd daar koning. 2 Toen koning Demetrius dit hoorde, mobiliseerde hij een grote troepenmacht en trok tegen hem ten strijde. 3 Ook stuurde Demetrius een brief aan Jonatan, waarin hij hem in vriendelijke bewoordingen meer macht beloofde, 4 want hij dacht: Wij moeten snel vrede met hem sluiten, voordat hij met Alexander een verbond sluit tegen ons, 5 want hij zal het kwaad dat wij hem, zijn broers en zijn volk berokkend hebben niet zijn vergeten. 6 Hij machtigde Jonatan om strijdkrachten te mobiliseren en wapens te vervaardigen, en verklaarde dat zij bondgenoten waren. Bovendien gaf hij opdracht de gijzelaars in de citadel aan Jonatan over te dragen. 7 Jonatan ging naar Jeruzalem en las de brief voor aan heel het volk en aan de bezetters van de citadel. 8 Die schrokken hevig toen ze hoorden dat de koning hem gemachtigd had om strijdkrachten te mobiliseren. 9 De bezetters van de citadel droegen de gijzelaars aan Jonatan over, en hij gaf ze terug aan hun ouders. 10 Jonatan ging in Jeruzalem wonen en begon met de wederopbouw van de stad. 11 Hij gaf werklieden opdracht de stadsmuur weer op te trekken en de Sion ter versterking met gehouwen stenen te omgeven. En zo gebeurde het. 12 De vreemdelingen die in de door Bakchides gebouwde vestingen gelegerd waren, vluchtten. 13 Ze verlieten hun post en keerden terug naar hun land. 14 Alleen in Bet-Sur bleven nog wat mensen achter die de wet en de voorschriften verloochend hadden; zij hadden daar hun toevluchtsoord gevonden. 15 Koning Alexander hoorde van de toezeggingen die Demetrius Jonatan had gedaan. En toen men hem vertelde van de veldslagen en heldendaden van Jonatan en zijn broers, en van de ontberingen die ze hadden geleden, 16 zei hij: ‘Zo is er geen tweede! We moeten hem onmiddellijk tot onze vriend en bondgenoot maken.’ 17 Hij stuurde een brief aan Jonatan met deze woorden: 18 ‘Koning Alexander groet zijn broeder Jonatan. 19 Naar wij hebben vernomen bent u een machtig man en bent u het waard onze bondgenoot te zijn. 20 Daarom benoemen wij u vandaag tot hogepriester van uw volk en verlenen u de titel Vriend van de koning. Bekommer u om onze zaak en wees trouw aan onze vriendschap.’ Met de brief stuurde hij hem een purperen mantel en een gouden krans. 21 In de zevende maand van het jaar 160 , tijdens het Loofhuttenfeest, trok Jonatan het hogepriester gewaad aan. Hij bracht strijdkrachten bijeen en liet veel wapens maken. 22 Toen Demetrius hiervan hoorde, was hij erg ontstemd. Hij zei: 23 ‘Hoe hebben we kunnen laten gebeuren dat Alexander ons voor is geweest! Hij heeft vriendschap gesloten met de Joden en zo zijn positie versterkt. 24 Maar ook ik zal hartelijke woorden tot hen richten en hun hoge ambten en geschenken beloven, zodat ze mijn zijde kiezen.’ 25 En hij stuurde hun dit bericht: ‘Koning Demetrius groet het Joodse volk. 26 Naar wij hebben vernomen hebt u zich gehouden aan de met ons gesloten verdragen en bent u onze vriendschap trouw gebleven. U hebt zich niet aangesloten bij onze vijanden, en dit verheugt ons zeer. 27 Als u ons trouw blijft, zullen wij u rijkelijk belonen voor uw diensten. 28 Wij zullen u van de meeste verplichtingen ontslaan en u geschenken geven. 29 Hierbij verklaar ik u vrij en onthef ik alle Joden van schatting, zoutheffing en kroongelden. 30 Ook het derde van de veldoogst en de helft van de boomvruchten die mij rechtens toekomen, hoeft u niet meer af te dragen. Met ingang van heden zijn Judea en de drie districten van Samaria en Galilea, die ik bij dezen tot Judees grondgebied verklaar, daarvan voor altijd vrijgesteld. 31 Jeruzalem en zijn grondgebied zullen heilig zijn en ontheven van tienden en tolgelden. 32 Verder doe ik afstand van mijn bevoegdheden in de citadel van Jeruzalem en verleen ik de hogepriester het recht er naar believen mannen in garnizoen te leggen. 33 Alle Joden die als krijgsgevangene uit Judea zijn weggevoerd naar een plaats elders in mijn rijk, zal ik zonder losgeld vrijlaten. Over het vee mag geen belasting worden geheven. 34 Op feesten, sabbat, nieuwemaan en andere hoogtijdagen, evenals de drie dagen voor en de drie dagen na een feest zullen alle Joden in mijn rijk van belastingen zijn vrijgesteld, 35 en niemand heeft het recht op die dagen iets van hen te vorderen of hen om wat voor reden dan ook lastig te vallen. 36 Ongeveer dertigduizend Joden zullen als strijdkrachten van de koning worden ingeschreven; zij ontvangen dezelfde soldij als de overige koninklijke strijdkrachten. 37 Een deel van hen zal worden gelegerd in de grote burchten van de koning en een deel zal in het koninkrijk vertrouwensposten vervullen. Hun bevelhebbers en leiders zullen uit hun eigen gelederen worden gekozen en zij mogen volgens hun eigen wetten leven, zoals de koning dat voor het land Judea heeft bepaald. 38 De drie gebieden van Samaria die nu bij Judea zijn ingelijfd, zullen voortaan ook in bestuurlijk opzicht één zijn met Judea en onder het gezag van de hogepriester staan. 39 Ptolemaïs en bijhorend gebied schenk ik aan het heiligdom in Jeruzalem, zodat uit de opbrengst de kosten van de tempeldienst kunnen worden gedekt. 40 Zelf zal ik jaarlijks vijftienduizend sjekel zilver schenken van de inkomsten uit mijn domeinen. 41 Alle toelagen ten bate van de tempeldienst die door ambtenaren de laatste jaren niet zijn uitgekeerd, zullen vanaf heden weer worden betaald. 42 Ook de vijfduizend sjekel zilver die jaarlijks uit de inkomsten van de tempel gevorderd werden zal ik teruggeven, want ze komen toe aan de dienstdoende priesters. 43 Ieder die vanwege schulden bij de koning of om een andere reden in de tempel van Jeruzalem of het tempelgebied zijn toevlucht heeft gezocht, is met alles wat hij in mijn rijk bezit onschendbaar. 44 De kosten van de herbouw en vernieuwing van het heiligdom zijn voor rekening van de koning. 45 Ook de kosten van de bouw van de muren en verdedigingswerken rond Jeruzalem zijn voor rekening van de koning, evenals de kosten voor de vestingen in Judea.’ Jonatan blijft trouw aan Alexander 46 Jonatan en het volk hoorden Demetrius’ beloften vol ongeloof aan en ze gingen er niet op in. Ze herinnerden zich het grote onheil dat hij in Israel had aangericht en hoezeer hij hen had onderdrukt. 47 Zij hielden het bij Alexander, hij was tenslotte de eerste geweest die hun vrede had aangeboden, en ze bleven tot het einde toe zijn bondgenoot. 48 Koning Alexander bracht een grote strijdmacht op de been en stelde zich op tegenover Demetrius. 49 De twee koningen openden de strijd, en het leger van Alexander werd op de vlucht gedreven. Demetrius achtervolgde hem en kreeg de overhand. 50 Maar Alexander bood tot zonsondergang hardnekkig verzet, en diezelfde dag nog sneuvelde Demetrius. 51 Daarop stuurde Alexander gezanten naar koning Ptolemeüs van Egypte met de volgende boodschap: 52 ‘Ik ben in mijn koninkrijk teruggekeerd, ik heb de troon van mijn voorouders bestegen en heb het bestuur op me genomen. Demetrius heb ik verslagen, en de macht over het land is nu in mijn handen. 53 In de strijd die ik met hem aanbond is zijn leger door ons verslagen. Nu zetel ik op de troon van zijn rijk. 54 Laten wij vriendschap met elkaar sluiten: maak mij uw schoonzoon door mij uw dochter tot vrouw te geven. Ik zal u en haar geschenken geven die u beiden waardig zijn.’ 55 En koning Ptolemeüs antwoordde: ‘Ik prijs de dag waarop u bent teruggekeerd in het land van uw voorouders en de troon van hun koninkrijk hebt bestegen. 56 Ik ga graag op uw voorstel in. Maar laten wij elkaar eerst in Ptolemaïs ontmoeten. Dan zal ik uw schoonvader worden, zoals u hebt voorgesteld.’ 57 In het jaar 162 vertrok Ptolemeüs uit Egypte, samen met zijn dochter Cleopatra, en ging naar Ptolemaïs. 58 Koning Alexander ontmoette hem daar, en Ptolemeüs gaf hem zijn dochter Cleopatra tot bruid. In Ptolemaïs werd een huwelijksfeest voor hen aangericht met veel koninklijk vertoon van weelde. 59 Bij die gelegenheid schreef koning Alexander Jonatan om hem uit te nodigen hem te bezoeken. 60 Jonatan reisde met een schitterend gevolg naar Ptolemaïs, waar hij de twee koningen ontmoette. Hij gaf hun en hun vertrouwelingen zilver, goud en vele andere geschenken, en won zo hun gunst. 61 Maar Israelieten met kwaad in de zin, mannen die de wet verloochenden, kwamen een aanklacht tegen hem indienen. De koning schonk echter geen aandacht aan hen. 62 Integendeel, hij gaf bevel Jonatans gewone kleren te verruilen voor purperen kleding. En zo gebeurde het. 63 De koning liet hem naast zich plaatsnemen en zei tegen zijn bevelhebbers: ‘Neem hem mee naar het midden van de stad en roep om dat niemand een aanklacht tegen hem mag indienen of hem mag lastigvallen, om wat voor reden dan ook.’ 64 Toen de aanklagers de heraut hoorden en zagen dat Jonatan gehuldigd werd en in purper was gekleed, vluchtten ze. 65 De koning verleende hem de eervolle titel Vriend van de koning, en hij stelde hem aan als veldheer en districtsbestuurder. 66 Daarna keerde Jonatan in vrede en vreugde terug naar Jeruzalem. Jonatan verslaat Apollonius 67 In het jaar 165 kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, vanuit Kreta naar het land van zijn voorouders. 68 Toen koning Alexander dit hoorde, keerde hij diep verontrust naar Antiochie terug. 69 Demetrius bevestigde Apollonius in zijn functie als districtsbestuurder over Cele-Syrie. Deze bracht een grote strijdmacht op de been en sloeg zijn kamp op in de buurt van Jamnia. Van daaruit stuurde hij deze boodschap naar hogepriester Jonatan: 70 ‘U bent de enige die zich tegen ons verzet, en daarom word ik uitgelachen en bespot. Daar in de bergen durft u ons wel te tarten.


1 makkabeeën 11 De val van Alexander 1 De koning van Egypte bracht een leger op de been zo talrijk als zandkorrels op het strand langs de zee, en rustte bovendien een grote vloot uit. Hij wilde met een list het koninkrijk van Alexander in bezit nemen en het bij zijn rijk voegen. 2 Onder het mom van een vriendschappelijk bezoek vertrok hij naar Syrie. De inwoners van de steden openden de poorten en gingen hem tegemoet om hem te begroeten; koning Alexander had daartoe bevel gegeven omdat Ptolemeüs zijn schoonvader was. 3 Bij elke stad die Ptolemeüs binnentrok, legde hij strijdkrachten in garnizoen. 4 Toen hij bij Azotus kwam, lieten ze hem de afgebrande tempel van Dagon zien, de verwoeste stad en de omgeving, waar overal lijken lagen, en ook de verkoolde lichamen van degenen die in de strijd waren verbrand en die ze langs de weg hadden opgestapeld. 5 Ze vertelden de koning wat Jonatan had gedaan en hoopten hem zo in een kwaad daglicht te stellen, maar de koning zweeg. 6 Jonatan ging naar Joppe om de koning met groot eerbetoon te verwelkomen. Ze begroetten elkaar en bleven daar overnachten. 7 Vervolgens reisde Jonatan samen met de koning tot aan de rivier de Eleuterus en keerde toen terug naar Jeruzalem. 8 Koning Ptolemeüs veroverde de kuststeden tot aan Seleucie aan de zee en beraamde ondertussen snode plannen tegen Alexander. 9 Hij stuurde gezanten naar koning Demetrius met deze boodschap: ‘Laten we een verdrag sluiten, dan geef ik u mijn dochter, die nu met Alexander getrouwd is, en maak ik u koning over het rijk van uw vader. 10 Ik betreur het dat ik hem mijn dochter heb gegund, want hij heeft geprobeerd me te doden.’ 11 Zo maakte hij Alexander verdacht, omdat hij op zijn rijk aasde. 12 Vervolgens haalde hij zijn dochter bij hem weg en gaf haar aan Demetrius. Hij nam afstand van Alexander en er ontstond een openlijke vijandschap tussen hen. 13 Ptolemeüs trok Antiochie binnen en kroonde zichzelf tot koning van Asia. Nu droeg hij behalve de koninklijke hoofdband van Egypte ook die van Asia om zijn hoofd. 14 Koning Alexander bevond zich in die tijd in Cilicie, omdat de inwoners van die streek tegen hem in opstand waren gekomen, 15 maar zodra hij hoorde wat er gebeurd was, trok hij tegen Ptolemeüs ten strijde. Deze kwam met een sterk leger op hem af en joeg hem op de vlucht. 16 Alexander vluchtte naar Arabie, waar hij bescherming hoopte te vinden. Koning Ptolemeüs was nu oppermachtig. 17 De Arabier Zabdiel hakte Alexanders hoofd af en stuurde het naar Ptolemeüs. 18 Maar drie dagen later stierf koning Ptolemeüs zelf. De manschappen die hij in de versterkte steden in garnizoen had gelegd werden door de inwoners van die steden gedood. 19 Zo kwam in het jaar 167 Demetrius aan de macht. Jonatan wint de gunst van Demetrius II 20 In die tijd riep Jonatan de mannen van Judea bijeen om de citadel in Jeruzalem aan te vallen. Ze hadden al veel oorlogstuig in stelling gebracht 21 toen een paar afvallige Joden uit haat tegen hun eigen volk naar de koning gingen om hem te zeggen dat Jonatan de citadel belegerde. 22 Toen de koning dit hoorde, werd hij woedend. Hij had het bericht nog maar nauwelijks vernomen, of hij was al op weg naar Ptolemaïs. Hij liet Jonatan per brief weten dat hij de belegering moest staken en zich onmiddellijk voor een onderhoud bij hem moest vervoegen. 23 Maar toen Jonatan de brief gelezen had, liet hij de belegering juist voortzetten. Vervolgens koos hij onder de oudsten van Israel en de priesters een paar begeleiders uit en toog naar het hol van de leeuw. 24 Met zilver, goud, kledingstukken en vele andere geschenken ging hij naar de koning in Ptolemaïs en wist zijn gunst te winnen. 25 Hoewel een paar afvallige volksgenoten van Jonatan beschuldigingen tegen hem inbrachten, 26 deed de koning wat zijn voorgangers hadden gedaan: hij bewees Jonatan eer in aanwezigheid van al zijn vertrouwelingen. 27 Hij bevestigde zijn hogepriesterschap en alle eervolle functies die hem al eerder waren verleend, en nam hem op in de kring van zijn vertrouwelingen. 28 Jonatan verzocht de koning Judea en de drie districten van Samaria te ontheffen van belastingen; in ruil daarvoor beloofde hij hem driehonderd talent. 29 De koning willigde Jonatans verzoek in en stelde voor hem het volgende op schrift: 30 ‘Koning Demetrius groet zijn broeder Jonatan en het Joodse volk. 31 Te uwer informatie sturen wij u hierbij een afschrift van de brief die wij onze bloedverwant Lastenes over u hebben geschreven. 32 “Koning Demetrius groet de eerbiedwaardige Lastenes. 33 Aangezien het Joodse volk onze bondgenoot is en zijn verplichtingen jegens ons nakomt, hebben wij besloten deze welgezindheid tegenover ons te belonen. 34 Daarom bevestigen wij dat zij de rechtmatige bezitters van Judea zijn en van de drie districten Efraïm, Lydda en Ramataïm; deze laatste zullen van Samaria worden afgescheiden en in hun geheel bij Judea worden ingelijfd. Voorts zijn allen die in Jeruzalem offeren ontheven van de plicht jaarlijks een deel van de vrucht van land en bomen aan de koning af te dragen. 35 Ook de voorheen aan ons verschuldigde tienden, tolgelden, zoutbelasting en kroongelden behoeven zij ons niet langer te betalen. 36 Deze maatregelen blijven onverkort van kracht, nu en voor altijd. 37 Wij verzoeken u een afschrift van deze maatregelen aan Jonatan te sturen, zodat dit op een goed zichtbare plaats op de heilige berg kan worden opgehangen.”’ 38 Toen koning Demetrius merkte dat de rust in zijn land was weergekeerd en dat niemand meer tegen hem in verzet kwam, stuurde hij al zijn strijdkrachten naar huis, behalve de vreemdelingen die hij als huurtroepen van de Griekse eilanden had gerekruteerd. Dat namen de gewone strijdkrachten, die nog onder zijn voorgangers hadden gediend, hem zeer kwalijk. 39 Een zekere Tryfon, een vroegere aanhanger van Alexander, merkte hoe de strijdkrachten zich over Demetrius beklaagden. Hij reisde daarom naar de Arabier Imalkue, die Alexanders zoon Antiochus opvoedde, 40 en drong er bij hem op aan Antiochus aan hem mee te geven, zodat hij ervoor kon zorgen dat de jongen koning werd op de troon van zijn vader. Hij lichtte hem in over de maatregelen die Demetrius had getroffen en over de onvrede die er onder de strijdkrachten over Demetrius was ontstaan. Tryfon bleef geruime tijd bij hem. 41 Jonatan had ondertussen koning Demetrius verzocht zijn troepen uit de citadel van Jeruzalem en uit de andere vestingsteden terug te trekken, omdat ze Israel bleven bestoken. 42 Demetrius liet Jonatan het volgende weten: ‘Niet alleen wil ik aan uw verzoek voldoen, maar ik wil u en uw volk bij gelegenheid ook eer bewijzen. 43 Maar wees nu zo goed mij mannen te sturen die aan mijn kant willen strijden, want al mijn eigen strijdkrachten zijn tegen me in opstand gekomen.’ 44 Jonatan stuurde drieduizend krijgshaftige mannen naar Demetrius in Antiochie. Zij meldden zich bij de koning, die zeer verheugd was over hun komst. 45 De inwoners van de stad, ongeveer honderdtwintigduizend mensen, dromden samen in het centrum van de stad, vastbesloten de koning te doden. 46 De koning vluchtte naar het paleis, maar de inwoners van de stad bezetten de hoofdstraten en begonnen te vechten. 47 Toen riep de koning de Joden te hulp. Ze verzamelden zich eerst bij hem, verspreidden zich daarna door de stad en doodden die dag ongeveer honderdduizend mensen. 48 Nog dezelfde dag plunderden ze de stad en legden die in de as. Zo slaagden ze erin de koning te redden. 49 Toen de inwoners van de stad zagen dat de Joden de stad hadden overmeesterd zoals ze van plan waren geweest, verloren ze de moed en smeekten de koning 50 om vrede: ‘Laat de Joden ophouden oorlog te voeren tegen ons en onze stad.’ 51 Ze legden de wapens neer en gaven zich over. De Joden werden in tegenwoordigheid van de koning en al zijn onderdanen met eer overladen en verwierven roem in heel het koninkrijk. Daarna keerden ze met een rijke buit naar Jeruzalem terug. 52 Koning Demetrius had zijn troon veiliggesteld en er heerste weer vrede in het land. 53 Maar aan zijn beloften hield hij zich niet, en hij verbrak zijn banden met Jonatan. Hij betaalde de gunsten die Jonatan hem bewezen had niet terug; integendeel, hij stelde zich zeer vijandig jegens hem op. Jonatan kiest voor Antiochus VI 54 Na deze gebeurtenissen keerde Tryfon met de nog zeer jonge Antiochus terug. De jongen werd koning gemaakt en kreeg de koninklijke hoofdband om. 55 Alle strijdkrachten die door Demetrius waren afgedankt sloten zich bij hem aan en namen de wapens op tegen Demetrius. Die werd verslagen en op de vlucht gejaagd. 56 Tryfon lijfde de olifanten bij zijn leger in en veroverde Antiochie. 57 Toen schreef de jonge Antiochus Jonatan het volgende: ‘Ik bevestig uw aanstelling als hogepriester en laat de vier districten onder uw bestuur. Bovendien mag u de titel Vriend van de koning voeren.’ 58 Hij stuurde hem gouden tafelgerei en gaf hem toestemming uit gouden bekers te drinken, zich in purper te kleden en een gouden speld te dragen. 59 Jonatans broer Simon werd door Antiochus aangesteld als bevelhebber over het gebied tussen de Trap van Tyrus en de Egyptische grens. 60 Jonatan rukte uit naar het gebied ten westen van de Eufraat en de daar gelegen steden. Het gehele Syrische leger sloot zich als bondgenoot bij hem aan. Toen hij in Askelon aankwam, liepen de inwoners van de stad hem in een stoet vol pracht en praal tegemoet. 61 Van daar trok hij naar Gaza, maar de inwoners sloten de poorten. Hij sloeg het beleg voor de stad, stak de omgeving in brand en plunderde die. 62 Toen vroegen de inwoners van Gaza om vrede en kondigde Jonatan een bestand af. Hij nam de zonen van hun leiders als gijzelaars en stuurde ze naar Jeruzalem. Daarna trok hij naar de andere kant van het land, tot aan Damascus. 63 Jonatan hoorde dat de bevelhebbers van Demetrius met een groot leger tot Kedes in Galilea waren gekomen, met de bedoeling hem uit zijn functie te ontzetten.


1 makkabeeën 12 Nieuwe verdragen met Rome en Sparta 1 Toen Jonatan merkte dat hij het tij mee had, koos hij enkele mannen uit en stuurde hen naar Rome om het vriendschapsverdrag met de Romeinen te hernieuwen. 2 Sparta en andere staten stelde hij hiervan per brief op de hoogte. 3 De gezanten reisden naar Rome en gingen de senaat binnen. Ze verklaarden: ‘Hogepriester Jonatan en het Joodse volk hebben ons gestuurd om de vriendschapsbanden met u aan te halen en het oude bondgenootschap te hernieuwen.’ 4 De Romeinen gaven hun brieven mee voor de plaatselijke overheden, die hun een veilige terugreis naar Judea moesten garanderen. 5 Dit is het afschrift van de brief die Jonatan aan de Spartanen schreef: 6 ‘Hogepriester Jonatan, de raad van oudsten van het volk, de priesters en het gehele Joodse volk groeten hun broeders de Spartanen. 7 Vroeger heeft uw koning Arius aan de hogepriester Onias een brief gezonden, waarin wordt gesteld dat wij aan elkaar verwant zijn. Een afschrift van dit schrijven gaat hierbij. 8 Onias heeft de gezant destijds met groot eerbetoon verwelkomd en de brief aangaande ons bondgenootschap en vriendschapsverdrag in ontvangst genomen. 9 Aangezien wij de heilige boeken bezitten die ons troost bieden, is een verdrag voor ons niet noodzakelijk. 10 Desondanks hebben wij u gezanten willen sturen om de banden van broederschap en vriendschap aan te halen. Het is reeds lang geleden dat u uw boodschapper zond, en wij willen voorkomen dat u en wij vreemden voor elkaar worden. 11 Op feestdagen en bij andere plechtige gelegenheden noemen wij u steeds bij onze offers en gebeden, want het is juist en gepast dat broeders elkaar gedenken. 12 Zo verheugen wij ons ook in het aanzien dat u geniet. 13 Zelf worden we omringd door vijanden, van wie we veel ellende te verduren krijgen; de koningen om ons heen zijn voortdurend met ons in oorlog. 14 Toch hebben we in deze oorlogen geen beroep op u willen doen, noch op andere bondgenoten en vrienden. 15 Immers, wij hebben de hulp van de hemel, die ons bijstaat. Daardoor zijn onze vijanden vernederd en zijn wij van hen verlost. 16 Nu hebben we Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, naar Rome gestuurd om de vriendschap en het oude bondgenootschap met de Romeinen te hernieuwen. 17 Wij hebben hun opgedragen ook naar u te reizen om u onze groeten over te brengen en u deze brief te overhandigen met een voorstel tot hernieuwing van onze broederschap. 18 Weest u zo goed ons dienaangaande te antwoorden.’ 19 En dit is het afschrift van de brief die de Spartanen aan Onias hadden gestuurd: 20 ‘Arius, koning van de Spartanen, groet hogepriester Onias. 21 Uit een bewaard gebleven document blijkt dat de Spartanen en de Joden broeders zijn en dat beide volken van Abraham afstammen. 22 Nu wij dit weten, zou het ons verheugen wanneer u ons van uw welzijn op de hoogte stelde. 23 Wij van onze kant schrijven u: uw vee en uw bezit zijn van ons, en onze bezittingen zijn van u. Wij hebben opdracht gegeven dit voorstel aan u over te brengen.’ 24 Toen Jonatan hoorde dat de bevelhebbers van Demetrius met een nog grotere strijdmacht dan eerst waren teruggekomen om tegen hem te strijden, 25 vertrok hij uit Jeruzalem en ging hun tot in het gebied van Hamat tegemoet. Hij wilde hun niet de gelegenheid geven zijn land binnen te vallen. 26 Hij stuurde spionnen naar hun kamp, die hem na terugkomst vertelden dat de vijand zich gereedmaakte om hem die nacht aan te vallen. 27 Na zonsondergang beval Jonatan zijn mannen niet te gaan slapen maar gewapend te blijven en zich de hele nacht paraat te houden. Rondom het legerkamp stelde hij wachtposten op. 28 Toen de vijand hoorde dat Jonatan en zijn mannen klaarstonden voor de strijd, verloren ze de moed. Ze ontstaken vuren in hun legerkamp en trokken zich terug. 29 Maar doordat Jonatan en zijn mannen de vuren zagen branden, merkten ze dat pas de volgende ochtend. 30 Jonatan zette de achtervolging in maar kon zijn tegenstanders niet meer inhalen; ze waren de Eleuterus al overgestoken. 31 Vervolgens trok Jonatan op tegen de Zabadese Arabieren. Hij versloeg hen en plunderde hun bezittingen. 32 Daarna brak hij op om naar Damascus te gaan, aan de andere kant van het land. 33 Simon was opgetrokken tot Askelon en de burchten in de omgeving, maar daarna was hij afgebogen naar Joppe en had de stad bezet. 34 Hij had namelijk gehoord dat de inwoners de burcht wilden overgeven aan de soldaten van Demetrius. Ter bewaking van de stad legerde hij er een garnizoen. 35 Toen Jonatan was teruggekeerd, riep hij de oudsten van het volk bijeen en nam samen met hen het besluit om vestingen te bouwen in Judea 36 en de muren rond Jeruzalem op te hogen. Verder zou er nog een hoge muur worden opgetrokken, zodat de citadel van de stad werd afgescheiden en er geen handelsverkeer tussen beide meer mogelijk was. 37 Iedereen werkte mee aan de herbouw van de stad, want het oostelijke deel van de muur, dat langs de wadi liep, was ingestort. Ook Chafenata werd hersteld. 38 Simon bouwde Chadid in de Sefela weer op; hij versterkte de stad en plaatste er vergrendelbare poorten. Jonatan gevangengenomen 39 Tryfon wilde de heerschappij over Asia bemachtigen en zichzelf tot koning uitroepen, maar daarvoor moest hij koning Antiochus uit de weg ruimen. 40 Omdat Tryfon bang was dat Jonatan dit zou willen verhinderen en de wapens tegen hem zou opnemen, beraamde hij een plan om hem te doden. Hij brak op en trok naar Bet-San. 41 Jonatan ging hem tegemoet met veertigduizend geoefende soldaten en stelde hen in de buurt van Bet-San in slagorde op. 42 Toen Tryfon zag dat Jonatan met een grote strijdmacht was gekomen, durfde hij hem niet meer aan te vallen. 43 In plaats daarvan ontving hij hem met pracht en praal, stelde hem voor aan al zijn vertrouwelingen en gaf hem geschenken. Hij beval zijn bondgenoten en strijdkrachten Jonatan te gehoorzamen als hemzelf. 44 En tegen Jonatan zei hij: ‘Waarom hebt u zo veel mannen op de been gebracht? Er dreigt toch geen oorlog? 45 Stuur uw mannen toch naar huis! Kies er een paar uit om bij u te blijven en vergezelt u mij dan naar Ptolemaïs. Ik wil die stad en de andere burchten, met alle strijdkrachten en bevelhebbers, aan u schenken. Dat is de reden waarom ik ben gekomen, daarna trek ik me weer terug.’ 46 Jonatan vertrouwde hem en deed wat Tryfon gezegd had. Hij stuurde zijn strijdkrachten weg en deze vertrokken naar Judea. 47 Drieduizend man hield hij over, van wie hij er tweeduizend naar Galilea stuurde en duizend met zich meenam. 48 Maar toen Jonatan in Ptolemaïs kwam, sloten de inwoners de poorten, namen Jonatan gevangen en doodden iedereen die met hem was meegekomen. 49 Tryfon stuurde voetvolk en ruiters naar de grote vlakte van Galilea om alle andere mannen van Jonatan te doden. 50 Die hoorden het bericht dat Jonatan gevangen was genomen en dachten dat hij samen met al zijn mannen was gedood. Ze spraken elkaar moed in, begaven zich in gelid naar het strijdperk 51 en joegen hun achtervolgers, die zagen dat ze bereid waren zich dood te vechten, op de vlucht. 52 Ze keerden veilig terug in Judea, maar waren bang en treurden om Jonatan en zijn mannen. Heel Israel gaf zich over aan diepe rouw. 53 De volken rondom probeerden opnieuw hen uit te roeien, want ze dachten: De Joden hebben geen leider meer en er is niemand die hen nog te hulp zal komen; laten we daarom nu tegen hen strijden en de herinnering aan hen volledig uitwissen.


1 makkabeeën 13 1 Simon hoorde dat Tryfon een groot leger op de been had gebracht om Judea binnen te vallen en te verwoesten. 2 Omdat hij merkte dat het volk bang en angstig was, ging hij naar Jeruzalem en riep het bijeen. 3 Hij sprak het moed in met de volgende woorden: ‘Jullie weten zelf wat mijn broers en ik, mijn hele familie, voor onze tradities en voor de tempel gedaan hebben, en hoeveel oorlogen en ellende we hebben moeten doorstaan. 4 Al mijn broers zijn inmiddels voor Israel gestorven; ik ben de enige die nog over is. 5 In deze gevaarlijke tijd zal ik mijn eigen leven beslist niet sparen; ik ben niet beter dan mijn broers. 6 Sterker nog, ik wil mijn volk, de tempel en jullie vrouwen en kinderen wreken, want de heidenen hebben zich aaneengesloten om ons uit haat te vernietigen.’ 7 Deze woorden gaven het volk weer moed, 8 en met luide stem riepen ze: ‘U bent onze leider in de plaats van Judas en uw broer Jonatan. 9 Neem de leiding in onze strijd, we zullen alles doen wat u zegt.’ 10 Simon mobiliseerde alle strijdbare mannen en liet de muren van Jeruzalem met spoed voltooien, zodat de stad aan alle kanten versterkt was. 11 Hij stuurde Jonatan, de zoon van Absalom, met een aanzienlijke legermacht naar Joppe; deze verdreef de inwoners en hield de stad bezet. De dood van Jonatan 12 Tryfon was ondertussen met een grote legermacht uit Ptolemaïs vertrokken om Judea binnen te vallen; hij voerde Jonatan als gevangene met zich mee. 13 Simon sloeg zijn kamp op bij Chadid, aan de rand van de vlakte. 14 Toen Tryfon hoorde dat Simon de plaats van zijn broer Jonatan had ingenomen en van plan was de wapens tegen hem op te nemen, stuurde hij gezanten naar hem toe met deze boodschap: 15 ‘Wij hebben uw broer Jonatan gevangengenomen omdat hij de verschuldigde belastingen voor zijn ambten niet heeft betaald. 16 We zullen hem vrijlaten als u ons honderd talent zilver stuurt en twee van zijn zonen als gijzelaars, zodat hij niet tegen ons in opstand komt wanneer hij weer vrij is.’ 17 Simon wist dat deze woorden bedrog waren. Desondanks liet hij het geld en de kinderen brengen om zich niet de vijandschap van het volk op de hals te halen. 18 Anders zouden ze zeggen dat Jonatan was omgekomen omdat zijn broer geweigerd had het geld en de kinderen te sturen. 19 Hij liet de kinderen en de honderd talent brengen, en Tryfon bleek inderdaad een bedrieger te zijn, want hij liet Jonatan niet vrij. 20 Daarna ging Tryfon op weg om het land binnen te vallen en het volledig te verwoesten. Eerst maakte hij een omweg langs Adora. Maar Simon en zijn leger versperden hem telkens weer de weg. 21 De bezetters van de citadel stuurden gezanten naar Tryfon om er bij hem op aan te dringen met spoed door de woestijn naar hen toe te komen en hen te bevoorraden. 22 Tryfon bracht zijn hele ruiterij in gereedheid, maar die nacht viel er zo veel sneeuw dat hij onmogelijk kon optrekken. Hij blies de aftocht en ging naar Gilead. 23 In de buurt van Baskama doodde hij Jonatan en daar begroef hij hem ook. 24 Daarna staakte Tryfon zijn opmars en keerde naar zijn eigen land terug. 25 Simon liet het gebeente van zijn broer Jonatan halen en begroef het in Modeïn, de stad van zijn voorouders. 26 Heel Israel gaf zich over aan diepe rouw; dagenlang treurde het volk om zijn dood. 27 Op het graf van zijn vader en broers liet Simon een hoog monument oprichten, zodat het in de wijde omtrek zichtbaar was, met gepolijste stenen aan de voor- en achterzijde. 28 Ook liet hij zeven piramides bouwen, de een naast de ander, voor zijn vader en moeder en voor zijn vier broers. 29 Rond elke piramide liet hij in een kring grote zuilen plaatsen, waarop hij te hunner nagedachtenis in relief wapenrustingen liet aanbrengen en ook schepen, die vooral door zeevarenden werden bewonderd. 30 Zo bouwde hij het graf in Modeïn; het staat er tot op de dag van vandaag. Hernieuwd verdrag met Demetrius II 31 Tryfon liet de jonge koning Antiochus verraderlijk om het leven brengen, 32 riep zichzelf tot koning uit en deed de koninklijke hoofdband van Asia om. Hij bracht veel ellende over het land. 33 Simon versterkte de burchten van Judea met hoge torens, dikke muren en vergrendelbare poorten, en hij liet voedsel in de burchten opslaan. 34 Hij koos een paar mannen uit en stuurde ze naar koning Demetrius met het verzoek het land vrij te stellen van belastingen, want het enige dat Tryfon had gedaan was het land plunderen. 35 Koning Demetrius antwoordde hem per brief het volgende: 36 ‘Koning Demetrius groet hogepriester Simon, bondgenoot van vele koningen, en ook de oudsten en de rest van het Joodse volk. 37 De gouden krans en de palmtak die u hebt gestuurd hebben wij ontvangen. Wij zijn bereid een duurzame vrede met u te sluiten en zullen de bevoegde instanties aanschrijven om u vrijstelling van belasting te verlenen. 38 Alles wat wij in dit schrijven met betrekking tot u bepalen, is terstond van kracht. De burchten die u hebt gebouwd, zijn van u. 39 Wij vergeven u al uw vroegere dwalingen en tekortkomingen. Wij ontheffen u van de achterstallige kroongelden en van de andere belastingen die in Jeruzalem eventueel nog geheven worden. 40 Laten alle Israelieten die in mijn leger kunnen dienen zich inschrijven. Voortaan zal er tussen ons vrede heersen.’ 41 In het jaar 170 werd het heidense juk van Israel afgenomen 42 en begon het volk akten en verdragen als volgt te dateren: ‘In het eerste jaar van Simon, de hogepriester, veldheer en leider van de Joden.’ Simon verovert Gezer en Jeruzalem 43 In die tijd belegerde Simon Gezer. Hij omsingelde de stad met zijn leger en liet een stormram maken en aan de rand van de stad opstellen. Daarmee sloeg hij een bres in een van de stadstorens en hij nam de stad in. 44 Zijn soldaten sprongen vanuit de belegeringstoren de stad in en veroorzaakten grote paniek. 45 De inwoners kwamen met hun vrouwen en kinderen naar de stadsmuur, scheurden hun kleren en smeekten Simon met luid geroep om vrede. 46 Ze riepen: ‘Straf ons niet voor onze misdaden, maar toon medelijden met ons.’ 47 Simon gaf hieraan gevolg en staakte de strijd. Hij verdreef hen uit de stad en reinigde hun huizen, waarin zich afgodsbeelden bevonden. Daarna trok hij onder gezang van hymnen en lofliederen door de stad. 48 Alles wat onrein was liet hij verwijderen, en hij liet er mensen wonen die de wet navolgden. Hij versterkte de stad en bouwde er voor zichzelf een woning. 49 In Jeruzalem konden de bezetters de citadel niet in of uit om op het land voorraden te kopen. Ze leden ernstig gebrek en een groot aantal van hen kwam om van de honger. 50 Ook zij smeekten Simon om vrede, en hij stemde erin toe. Hij verdreef hen uit de citadel en reinigde die. 51 Op de drieentwintigste dag van de tweede maand van het jaar 171 hielden de Joden juichend hun intocht: ze zwaaiden met palmtakken, zongen lofliederen en maakten muziek op lieren, cimbalen en harpen omdat de grote vijand uit Israel verdreven was. 11 Simon bepaalde dat deze dag jaarlijks gevierd zou worden. Hij versterkte de heilige berg bij de citadel en koos die met zijn mannen als kwartier. 11 Toen Simon zijn zoon Johannes oud genoeg vond, stelde hij hem aan als opperbevelhebber. Johannes vestigde zich in Gezer.


1 makkabeeën 14 Demetrius II gevangengenomen 1 In het jaar 172 bracht koning Demetrius zijn strijdkrachten bijeen en trok hij naar Medie om hulptroepen te ronselen voor de strijd tegen Tryfon. 2 Toen Arsakes, de koning van Perzie en Medie, hoorde dat Demetrius zich op zijn grondgebied bevond, stuurde hij een van zijn bevelhebbers om hem levend gevangen te nemen. 3 De bevelhebber viel het leger van Demetrius aan en versloeg het, nam Demetrius gevangen en bracht hem naar Arsakes, die hem liet opsluiten. Simon geeft het land vrede 4 In de tijd dat Simon regeerde, had Judea rust. Hij streefde het welzijn van zijn volk na, en iedereen leefde gelukkig in de dagen van zijn roemrijke heerschappij. 5 Roemrijk was ook zijn verovering van de havenstad Joppe, waardoor hij de eilanden bereikbaar maakte. 6 Hij slaagde er niet alleen in het grondgebied van zijn volk uit te breiden en het hele land in zijn macht te krijgen, 7 maar maakte ook talrijke vijanden krijgsgevangen. Hij bezette Gezer, Bet-Sur en de citadel en reinigde al deze plaatsen. Er was niemand die zich tegen hem verzette. 8 De mensen bebouwden hun grond in vrede, het land bracht gewassen voort en de bomen in de vlakte droegen vrucht. 9 De oude mannen zaten in de straten en spraken over ieders voorspoed, de jonge mannen droegen prachtige krijgsgewaden. 10 Simon voorzag de steden van voedsel en rustte ze uit met verdedigingswerken. Zijn roem reikte tot aan de uiteinden van de aarde. 11 Hij gaf vrede aan het land en in Israel heerste grote vreugde. 12 Ieder zat onder zijn wijnrank en zijn vijgenboom, en er was geen reden meer om bang te zijn. 13 Alle vijanden waren in die tijd uit het land verdwenen en alle koningen waren overwonnen. 14 De zwakken van zijn land maakte Simon sterk; hij stelde de wet weer in werking en roeide wettelozen en afvalligen uit. 15 Hij liet de tempel verfraaien en verwierf een grote hoeveelheid tempelgerei. Betrekkingen met Sparta en Rome 16 Het nieuws van Jonatans dood bereikte Rome en zelfs Sparta, en de mensen waren diepbedroefd. 17 Toen ze hoorden dat zijn broer Simon hem als hogepriester was opgevolgd en dat hij nu over het land en de steden heerste, 18 stuurden ze hem een brief op bronzen platen om het vriendschapsverdrag en het bondgenootschap dat ze met zijn broers Judas en Jonatan hadden gesloten te hernieuwen. 19 De platen werden in de volksvergadering in Jeruzalem voorgelezen. 20 Dit is een afschrift van de brief die de Spartanen stuurden: ‘Sparta en zijn leiders groeten hogepriester Simon, de oudsten, de priesters en de rest van hun Joodse broeders. 21 De gezanten die u naar ons volk hebt gestuurd hebben ons verteld van uw roem en eer, en hun komst heeft ons zeer verblijd. 22 Wij hebben hun boodschap als volgt opgetekend in de raadsbesluiten: Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, gezanten van de Joden, zijn naar ons toe gekomen om het vriendschapsverdrag met ons te hernieuwen. 23 Het volk heeft besloten de mannen eervol te onthalen en hun boodschap op schrift te stellen en in de openbare archieven op te nemen, opdat het Spartaanse volk die niet vergeet. Een afschrift ervan is aan hogepriester Simon gestuurd.’ 24 Daarna stuurde Simon Numenius naar Rome met een groot gouden schild met een gewicht van duizend mine om het bondgenootschap te bevestigen. Dankbetuiging aan Simon 25 Toen het volk dit alles hoorde, zei het: ‘Hoe kunnen we Simon en zijn zonen bedanken? 26 Want hijzelf, zijn broers en zijn familie zijn onverzettelijk geweest in hun strijd tegen Israels vijanden en ze hebben Israel bevrijd.’ Daarom lieten ze bronzen platen graveren en op zuilen aanbrengen op de Sion. 27 Dit is een afschrift van de tekst op de bronzen platen: ‘Op 18 elul (augustus) van het jaar 172 , het derde regeringsjaar van hogepriester Simon, is ons in Asaramel 28 op een grote bijeenkomst van de priesters, het volk, de leiders van het volk en de oudsten van het land het volgende meegedeeld: 29 Tijdens de vele oorlogen die ons land hebben geteisterd, hebben Simon, de zoon van Mattatias, afstammeling van Jojarib, en zijn broers zich in hun verzet tegen de vijanden van hun volk vaak aan gevaren blootgesteld. Door hun toedoen zijn de tempel en de wet behouden en heeft hun volk grote roem verworven. 30 Nadat Jonatan, die zijn volk had weten samen te brengen en hogepriester was geworden, met zijn voorouders verenigd was, 31 besloot de vijand het land binnen te vallen om het te verwoesten en zich van de tempel meester te maken. 32 Toen heeft Simon de leiding genomen in de strijd voor zijn volk. Uit eigen middelen heeft hij de wapenrusting en soldij van het leger van zijn volk bekostigd. 33 Hij heeft de steden van Judea versterkt, waaronder de grensplaats Bet-Sur, waar de vijand vroeger een wapendepot had, en hij heeft er een Joods garnizoen gelegerd. 34 Hij heeft de kustplaats Joppe versterkt en ook Gezer in het gebied van Azotus, waar vroeger vijanden woonden maar dat nu bevolkt is met Joden. Beide steden heeft hij voorzien van alles wat nodig was voor hun wederopbouw. 35 Omdat Simon het welzijn van zijn volk zo trouw en eervol heeft nagestreefd, heeft het hem tot leider en hogepriester benoemd als dank voor al zijn daden, zijn rechtvaardigheid en niet aflatende trouw, en voor zijn onvermoeibare pogingen de roem van zijn volk te vergroten. 36 Tijdens zijn bewind is hij erin geslaagd de vreemdelingen uit het land te verdrijven. Ook de bezetters van de Davidsburcht in Jeruzalem heeft hij verjaagd. Die hadden daar een citadel gebouwd, van waaruit ze uitvallen deden, de omgeving van de tempel verontreinigden en de heiligheid ervan aantastten. 37 Simon heeft er Joodse soldaten gelegerd, heeft de citadel versterkt om de stad en het land te beveiligen en heeft de muren van Jeruzalem opgehoogd. 38 Dienovereenkomstig heeft koning Demetrius zijn hogepriesterschap bekrachtigd, 39 hem opgenomen in zijn kring van vertrouwelingen en hem grote eer bewezen. 40 Hem was namelijk ter ore gekomen dat de Romeinen de Joden tot vrienden, bondgenoten en broeders hadden verklaard en dat ze de gezanten van Simon eervol hadden ontvangen. 41 De Joden en hun priesters hebben Simon en zijn nakomelingen als hun leider en als hogepriester aangesteld, totdat er een betrouwbare profeet zal opstaan. 42 Simon is hun veldheer en draagt tevens zorg voor de tempel; als zodanig is hij belast met de aanstelling van beambten voor werkzaamheden in en rond de tempel, voor het land, de wapendepots en de burchten. 43 Hij draagt zorg voor de tempel; dit houdt in dat iedereen hem moet gehoorzamen. Alle akten in het land worden in zijn naam opgemaakt. Bovendien mag hij zich in purper kleden en een gouden speld dragen. 44 Het is noch de priesters noch iemand van het volk geoorloofd een van deze voorschriften buiten werking te stellen, tegen Simons verordeningen in in verzet te komen, zonder zijn toestemming in het land een vergadering bijeen te roepen, zich in purper te kleden of een gouden speld te dragen. 45 Ieder die in strijd hiermee handelt of zich hier niet aan houdt, maakt zich strafbaar. 46 Het hele volk heeft besloten Simon bovenstaande volmachten te verlenen. 47 Simon heeft deze volmachten aanvaard en zich bereid verklaard de hogepriester, veldheer en vorst van de Joden en de priesters te zijn; hij voert het gezag op alle gebied.’ 48 Deze tekst lieten ze op bronzen platen graveren en binnen de omheining van het heiligdom op een opvallende plaats neerzetten. 49 Een afschrift van de tekst werd in de schatkamer opgeborgen, zodat Simon en zijn zonen erover konden beschikken.


1 makkabeeën 15 Antiochus VII zoekt de steun van Simon 1 Antiochus, de zoon van koning Demetrius, stuurde vanaf de eilanden een brief naar Simon, de priester en vorst van de Joden, en naar heel het volk. 2 De brief luidde als volgt: ‘Koning Antiochus groet hogepriester en vorst Simon, en het gehele Joodse volk. 3 Aangezien een paar onverlaten in het rijk van mijn voorouders de macht hebben gegrepen en ik het rijk weer wil opeisen en de oude orde wil herstellen, heb ik een groot aantal huurlingen gerekruteerd en oorlogsschepen uitgerust. 4 Ik wil nu koers zetten naar het vasteland om degenen die ons land te gronde hebben gericht en veel steden in mijn rijk hebben verwoest aan te vallen. 5 Bij dezen bekrachtig ik alle vrijstellingen van belasting die de koningen vóór mij u hebben verleend, evenals alle andere toezeggingen die ze u hebben gedaan. 6 Tevens sta ik u toe uw eigen munt te slaan, als betaalmiddel voor gebruik in eigen land. 7 Jeruzalem en de tempel blijven vrij en onbelast. Zowel de wapens waarmee u zich hebt uitgerust als de burchten die u hebt gebouwd en die in uw handen zijn, blijven uw eigendom. 8 Alle schulden aan de koninklijke schatkist en alle vorderingen door de kroon scheld ik u met ingang van heden voor altijd kwijt. 9 Wanneer wij ons rijk hebben hersteld, zullen we u, uw volk en de tempel grote eer bewijzen, zodat uw roem zich over de hele wereld verbreidt.’ 10 In het jaar 174 trok Antiochus het land van zijn voorouders binnen. Bijna alle strijdkrachten sloten zich bij hem aan, zodat Tryfon slechts enkele troepen overhield. 11 Met Antiochus op zijn hielen vluchtte Tryfon naar de kustplaats Dor, 12 want hij begreep dat er slechte tijden voor hem waren aangebroken nu zijn strijdkrachten overgelopen waren. 13 Antiochus belegerde Dor met honderdtwintigduizend man voetvolk en achtduizend ruiters. 14 Door ook schepen in te zetten in de strijd kon hij de stad omsingelen en hij bestookte haar te land en ter zee. Niemand kon de stad in of uit. Rome steunt Israel 15 Numenius en zijn metgezellen waren intussen uit Rome teruggekeerd met brieven voor verschillende koningen en landen. Hierin stond het volgende: 16 ‘Lucius, consul van de Romeinen, groet koning Ptolemeüs. 17 Gezanten van de Joden, onze vrienden en bondgenoten, zijn bij ons gekomen om het oude vriendschapsverdrag en bondgenootschap te hernieuwen. Zij waren gestuurd door hogepriester Simon en het Joodse volk 18 en brachten een gouden schild mee van duizend mine. 19 Wij hebben besloten alle koningen en landen aan te schrijven met het dringende verzoek niets tegen de Joden te ondernemen, geen oorlog met hen te voeren, hun steden en land ongemoeid te laten en hun tegenstanders niet te steunen. 20 Wij hebben namelijk besloten het schild van hen aan te nemen. 21 Mochten sommige onverlaten uit hun land naar u zijn gevlucht, levert u hen dan uit aan hogepriester Simon, zodat hij hen in hun eigen land volgens hun eigen wet kan straffen.’ 22 Hetzelfde schreef Lucius aan koning Demetrius, aan Attalus, Ariarates en Arsakes, 23 en aan alle volgende staten: Sampsakes, Sparta, Delos, Myndus, Sikyon, Karie, Samos, Pamfylie, Lycie, Halikarnassus, Rhodos, Faselis, Kos, Side, Aradus, Gortyna, Knidus, Cyprus en Cyrene. 24 Van al deze brieven werd een afschrift naar hogepriester Simon gestuurd. Vijandschap tussen Antiochus VII en Simon 25 Ondertussen hield de belegering van Dor aan. Koning Antiochus liet zijn strijdkrachten voortdurend aanvallen uitvoeren op de stad, en hield Tryfon met behulp van stormtorens ingesloten. Niemand kon Dor in of uit. 26 Simon stuurde tweeduizend krijgshaftige soldaten naar Antiochus, evenals zilver, goud en andere geschenken. 27 Maar Antiochus wilde niets van hem aannemen en verbrak bovendien alle overeenkomsten die hij eerder met hem had gesloten. Hij nam afstand van Simon. 28 Hij stuurde Atenobius, een van zijn vertrouwelingen, als onderhandelaar naar Simon met de volgende boodschap: ‘U houdt Joppe, Gezer en de citadel in Jeruzalem bezet, steden die tot mijn koninkrijk behoren. 29 U hebt hun grondgebied verwoest, grote schade aangericht in het land en aanzienlijke delen van mijn rijk overmeesterd. 30 Geef de steden die u hebt ingenomen terug en draag de belastingen die u hebt geïnd in de door u veroverde gebieden buiten Judea aan mij af. 31 Anders moet u mij vijfhonderd talent zilver betalen voor de verwoesting die u hebt aangericht en nog eens vijfhonderd talent voor de belasting van de steden. Weigert u dit te doen, dan verklaar ik u de oorlog.’ 32 Toen Atenobius, de vertrouweling van de koning, in Jeruzalem kwam en de rijkdom van Simon zag, de drinktafel met gouden en zilveren voorwerpen en de staatsie die hij voerde, stond hij versteld. Hij bracht hem de boodschap van de koning over. 33 En Simon antwoordde hem: ‘Wij hebben geen vreemd gebied veroverd en ons niets toegeeigend dat niet van ons was, wij hebben slechts het bezit van onze voorouders heroverd dat onze vijanden enige tijd wederrechtelijk in handen hebben gehad. 34 Wij hebben alleen maar de kans gegrepen ons rechtmatige bezit terug te winnen. 35 Wat Joppe en Gezer betreft en de aanspraak die u daarop maakt: deze steden hebben ons volk en ons land zware slagen toegebracht. Niettemin zijn wij bereid u voor deze steden honderd talent te geven.’ Atenobius zei geen woord, 36 maar ging woedend naar de koning terug. Hij meldde hem Simons antwoord en vertelde hem over de weelde en alles wat hij had gezien. Daarop ontstak de koning in hevige woede. 37 Tryfon ging aan boord van een schip en vluchtte naar Ortosia. 38 De koning stelde Kendebeüs aan als bevelhebber over het kustgebied en gaf hem voetvolk en ruiterij. 39 Hij beval hem zijn kamp op te slaan aan de grens van Judea, Kedron uit te bouwen en met poorten te versterken, en vervolgens de strijd aan te binden met de Joden. Zelf zou de koning de achtervolging op Tryfon inzetten. 40 Kendebeüs trok naar Jamnia en teisterde de Joden met invallen in Judea. Er werden mensen gevangengenomen en gedood. 41 Hij versterkte Kedron en legerde er ruiterij en voetvolk om van daar de wegen van Judea onveilig te maken, zoals de koning hem had opgedragen.


1 makkabeeën 16 1 Johannes trok op vanuit Gezer en lichtte zijn vader Simon in over de acties van Kendebeüs. 2 Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, bij zich en zei tegen hen: ‘Mijn broers en ik, de hele familie van mijn vader, hebben van onze jeugd tot op de dag van vandaag tegen de vijanden van Israel gestreden. Vaak is het ons gelukt Israel te redden. 3 Nu ben ik oud, en jullie zijn dankzij Gods barmhartigheid volwassen geworden. Neem daarom mijn plaats en die van mijn broer in en trek eropuit om voor ons volk te strijden. Moge de hemel jullie bijstaan.’ 4 In het hele land riep hij twintigduizend man voetvolk en ruiters op. Zij trokken Kendebeüs tegemoet en overnachtten in Modeïn. 5 De volgende ochtend vroeg trokken ze naar de vlakte. Daar zagen ze een groot leger van voetvolk en ruiters op zich afkomen, maar er lag een wadi tussen hen in. 6 Johannes bracht zijn troepen in stelling. Hij merkte dat zijn mannen bang waren om de wadi over te steken, en daarom stak hij zelf als eerste over. Zijn mannen zagen het en volgden hem naar de overkant. 7 Hij verdeelde het voetvolk in twee flanken en stelde de ruiters ertussenin op; de ruiterij van de tegenstander was namelijk zeer talrijk. 8 Ze lieten de trompetten schallen en Kendebeüs werd met zijn leger verjaagd. Er viel een groot aantal gewonden, en de rest vluchtte naar de burcht. 9 Johannes’ broer Judas raakte gewond. Daarom achtervolgde Johannes de vijand tot in Kedron, de stad die door Kendebeüs versterkt was. 10 De vijand vluchtte tot in de torens in de velden rond Azotus. Maar Johannes stak de torens in brand, zodat nog zo’n tweeduizend mannen omkwamen. Daarna keerde hij behouden naar Judea terug. De dood van Simon 11 Ptolemeüs, de zoon van Abubus, was als bevelhebber aangesteld in de vlakte van Jericho. Hij bezat veel goud en zilver, 12 want hij was een schoonzoon van de hogepriester. 13 Hij had het hoogmoedige plan opgevat heer en meester te worden over het land, en daarom beraamde hij een aanslag op Simon en zijn zonen. 14 Simon ging de steden langs om te inventariseren wat ze nodig hadden. In de elfde maand van het jaar 177 , dat is de maand sebat, (februari) kwam hij, samen met zijn zonen Mattatias en Judas, in Jericho. 15 De zoon van Abubus ontving hen in de kleine burcht Dok, die hij zelf gebouwd had, en richtte er onder valse voorwendselen een groot drinkgelag voor hen aan. Maar hij had zijn mannen verdekt opgesteld, 16 en toen Simon en zijn zonen dronken waren, kwamen Ptolemeüs en zijn handlangers in actie: ze grepen hun wapens, drongen de eetzaal binnen en doodden Simon, zijn twee zonen en enkele van zijn dienaren. 17 Met deze trouweloze daad vergold hij goed met kwaad. 18 Ptolemeüs schreef een brief aan de koning om te vertellen wat er was voorgevallen, met het verzoek om hem hulptroepen te sturen en het bestuur over de steden aan hem over te dragen. 19 Hij stuurde een paar mannen naar Gezer om Johannes te doden en deed alle bevelhebbers over duizend man een brief toekomen met het verzoek zich bij hem te melden, dan zou hij hun zilver, goud en andere geschenken geven. 20 De rest van zijn mannen stuurde hij naar Jeruzalem om de stad en de heilige berg in te nemen. 21 Maar iemand rende naar Gezer en liet Johannes weten dat zijn vader en zijn broers waren omgekomen en waarschuwde hem dat Ptolemeüs handlangers gestuurd had om hem te doden. 22 Toen Johannes dit hoorde, werd hij woedend. De mannen die kwamen om hem uit de weg te ruimen liet hij oppakken en doden, want hij wist wat ze met hem van plan waren. 23 Verdere bijzonderheden over Johannes, over de veldslagen die hij heeft geleverd, de heldendaden die hij heeft verricht, de muren die hij heeft gebouwd en al het andere – 24 dat alles is opgetekend in de kronieken van zijn hogepriesterschap, vanaf de dag dat hij zijn vader als hogepriester opvolgde.