Vocabulaire contact 2c (vijfde leerjaar) © Johan Lagae

Sleep van rechts naar links.
vousjullie, u
ilszij, ze
elleszij, ze
Tu vas où?Waar ga je naartoe?
Je vais à la gare.Ik ga naar het station.
Il va où?Waar gaat hij naartoe?
Il va à la maison.Hij gaat naar huis.
Elles vont où?Waar gaan ze naartoe?